Romeinen 7:1-6
Onder andere bewijsvoeringen, in het voorgaande hoofdstuk gebruikt om ons. te bewegen tegen de zonde en voor de heiligheid, was er een, vers 14 :dat wij niet onder de wet zijn, en deze bewijsvoering wordt hier nader aangedrongen en verklaard, vers 6. Wij zijn vrijgemaakt van de wet. Wat wordt daarmee bedoeld? En hoe is dit een bewijs dat de zonde niet meer over ons heersen zal en dat wij moeten wandelen in nieuwigheid des levens?
1. Wij zijn verlost van die macht der wet, welke ons vervloekt en veroordeelt om de door ons gepleegde zonden. De uitspraak der wet tegen ons is dus herzien en vernietigd voor alle ware gelovigen, door den dood van Christus. De wet zei: De ziel die zondigt, zal sterven, maar wij zijn verlost van de wet. De Heere heeft uwe zonden van u genomen, gij zult niet sterven. Wij zijn verlost van den vloek der wet, Galaten 3:13.
2. Wij zijn verlost van die macht der wet, welke de zonde, die in ons woont, uitdaagt en ophitst. Dat schijnt de apostel voornamelijk te bedoelen in vers 5 :De bewegingen der zonde, die door de wet zijn. De wet beval, verbood en dreigde den bedorven, gevallen mens, maar bood hem geen genade aan om hem te genezen en te versterken, en daardoor wekte zij onze verdorvenheid des temeer op, gelijk de zon, door op een mesthoop te schijnen, er allerlei onreine dampen uit doet opstijgen. Wij zijn verlamd door den val, nu komt de wet en gebiedt ons te gaan, maar geeft geen genezing van onze verlamming, en daardoor maakt zij ons ellendiger en onbeholpener dan ooit. Dit moet verstaan worden van de wet, niet als regel, maar als werkverbond. Welnu, dit zijn alle drijfveren om heilig te zijn, want daarin is aanmoediging voor onze pogingen, ofschoon wij nog in veel tekort komen. Wij zijn onder de genade, welke kracht belooft om te volbrengen hetgeen geboden wordt, en vergeving na het berouw wanneer wij verkeerd handelen. Dat is de bedoeling van deze verzen in het algemeen: wij zijn uit het oogpunt van belijdenis en voorrechten, onder een genadeverbond en niet onder een werkverbond, onder het Evangelie van Christus en niet onder de wet van Mozes. Het verschil tussen den staat der wet en dien des Evangelies had hij tevoren toegelicht door de vergelijking met een opstaan tot een nieuw leven en het dienen van een nieuwen meester, hier spreekt hij er over onder de gelijkenis van een huwelijk met een nieuwen echtgenoot.
I. Ons eerste huwelijk was met de wet, hetwelk volgens de wetten van het huwelijk alleen duurde zolang de wet leefde. De wet des huwelijks is verbindend tot den dood van een der beide partijen, het doet er niet toe welke, en langer niet. De dood van een ontslaat beiden. Hiervoor beroept hij zich op hen zelven als mensen die de wet verstaan, vers 1. Ik spreek tot degenen die de wet verstaan. Het is een groot voordeel te spreken tot mensen die kennis hebben, want dezen kunnen gemakkelijker een waarheid begrijpen en waarderen. Velen van de Christenen te Rome waren Joden geweest, en dus met de wet wèl vertrouwd. Op mensen van kennis heeft men altijd meer vat. De wet heerst over den mens zo langen tijd als hij leeft, vers 1. Voornamelijk de wet op het huwelijk heeft die macht, maar over `t algemeen geldt die beperking voor elke wet, al de wetten van volken, betrekkingen of geslachten.
1. De verplichting aan de wet strekt zich niet verder uit, door den dood wordt de dienstknecht, die onder het juk was, bevrijd van zijn meester, Job 3:19.
2. De veroordeling door de wet strekt zich niet verder uit, de dood is het einde der wet. De daden sterven met de personen. De strengste wet kan niet meer dan het lichaam doden en daarna kunnen zij niets meer doen. Terwijl wij leefden onder de wet, waren wij dus onder hare heerschappij, omdat wij in den Oud-Testamentische toestand waren, alvorens het Evangelie in de wereld kwam en alvorens het met kracht in onze harten kwam. Zo is ook de wet van het huwelijk, vers 2, de vrouw is aan den man verbonden zolang hij leeft, zo aan hem verbonden dat zij met geen anderen trouwen kan, deed zij dat dan zou zij een overspeelster genaamd worden, vers 3. Het zou haar een overspeelster maken niet alleen wanneer zij verontreinigd werd door, maar ook indien zij huwde met, een anderen man, want dat is nog veel erger, dat is misbruik maken van ene instelling Gods, door die tot dekmantel voor onzedelijkheid te verlagen. Zo waren wij uitgehuwelijkt aan de wet, vers 5.
Toen wij in het vlees waren, dat is: in onzen vleselijken staat, onder de overheersende macht van zonde en verdorvenheid, in het vlees als ons element, wrochten de bewegingen der zonde, die door de wet zijn, in onze leden. Wij werden meegesleurd door den stroom der zonde, en de wet was slechts een onvoldoende dam, die den stroom alleen hoger deed rijzen en wilder zwellen. Onze begeerte was tot de zonde, gelijk die van de vrouw tot haar echtgenoot, en de zonde heerste over ons. Wij omhelsden haar, hadden haar lief, wijdden alles aan haar, gingen dagelijks met haar om en maakten het onze grootste zorg haar te behagen. -Wij waren onder een wet van zonde en dood, gelijk een getrouwde vrouw onder de wet des huwelijks, en de gevolgen van dit huwelijk waren vruchten ten dode, dat is: daadwerkelijke overtredingen werden voortgebracht door de oorspronkelijke verdorvenheid, daden die den dood verdienden. De begeerlijkheid, ontvangen hebbende door de wet (want die is de kracht der zonde, 1 Corinthiërs 15:56), brengt zonde voort, en de zonde, voleindigd zijnde, baart den dood, Jakobus 1:15. Dat is de nakomelingschap, welke voortspruit uit het huwelijk van de zonde met de wet. Dat komt van de bewegingen der zonde in onze leden. En dat gaat gedurende het gehele leven voort, zolang de wet levend is voor ons en wij levend zijn voor de wet.
II. Ons tweede huwelijk is met Christus, en wat zijn daarvan de gevolgen?
1. Wij zijn bevrijd, door den dood van onze verplichting jegens de wet als verbond, gelijk de vrouw door den dood van haar echtgenoot vrij wordt van hare verplichting jegens hem, vers 3. De vergelijking gaat niet geheel op, maar dat is ook niet nodig. Gij zijt ook der wet gedood, vers 4. Hij zegt niet: "de wet is gedood (sommigen denken: omdat hij geen aanleiding wilde geven aan degenen, die nog voor de wet ijverden, om zich beledigd te achten), maar, hetgeen op hetzelfde neerkomt: Gij zijt der wet gedood. De kruisiging van de wereld voor ons en van ons voor de wereld, zijn in den grond dezelfde zaak, evenzo het sterven van de wet voor ons en van ons voor de wet.
Wij zijn vrijgemaakt van de wet, vers 6, katêrgêthêmen, wij hebben met de wet niets meer uitstaan, onze verplichting tegenover haar als echtgenoot is vernietigd, want ze is waardeloos geworden. En nu spreekt hij van de wet, die dood is voorzover zij een wet van dienstbaarheid voor ons was: overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden werden, niet de wet zelf, maar haar verplichting om de zonden te straffen en te werken. Die is dood, die heeft haar macht verloren en zulks door het lichaam van Christus, door het lijden van Christus in Zijn lichaam, door Zijn gekruisigde lichaam, dat de wet afschafte, aan haar eisen voldeed, onze verbreking van haar bevelen betaalde en ons een verbond van genade verwierf, waarin gerechtigheid en kracht ons gewaarborgd zijn, hetgeen niet het geval was of kon zijn door de wet. Wij zijn voor de wet dood door onze mystieke vereniging met het lichaam van Christus. In onzen doop door onze belijdenis in Christus ingelijfd, en evenzo door ons geloof daadwerkelijk en kracht gevend, zijn wij dood voor de wet, en hebben even weinig met haar uitstaan als de gestorven dienstknecht, die vrij geworden is van zijn meester, met diens juk nog verder te doen heeft.
2. Wij zijn gehuwd aan Christus. De dag van ons geloven was de dag van onze huwelijksverbintenis met den Heere Jezus. Wij traden een leven in van afhankelijkheid van Hem en verplichting aan Hem. Eens anderen geworden, degene die van de doden opgewekt is, een aanwijzing van Christus, die betekenisvol is. Want indien ons sterven voor de wet en voor de zonde gelijkmaking is aan den dood van Christus en aan de kruisiging van Zijn lichaam, dan is onze toewijding aan Christus in nieuwigheid des levens de gelijkmaking aan de opstanding van Christus. Wij zijn uitgehuwelijkt aan den verrezen, verhoogden Jezus, een zeer eervol huwelijk, (Verg. 2 Corinthiërs 11:2, Efeze 5:29). Op deze wijze en tot dit doel.
A. Opdat wij Gode vruchten dragen zouden, vers 4. Het doel van een huwelijk is vrucht voortbrengen. God stelde het huwelijk in om een zaad Gods te zoeken, Maleachi 2:15. De vrouw wordt vergeleken met een vruchtbaren wijnstok, en de kinderen worden de vrucht des buiks genoemd. Welnu, het grote doel van ons huwelijk met Christus is onze vruchtbaarheid in liefde, in genade en in alle goed werk. Dat is vrucht voor God, Gode welbehaaglijk, overeenkomstig Zijn wil, tot doel van Zijn heerlijkheid. Gelijk ons eerste huwelijk met de zonde vruchten voor den dood voortbracht, zo geeft ons tweede huwelijk met Christus vruchten voor God, vruchten der gerechtigheid. Goede werken zijn de kinderen van onze nieuwe natuur, de voortbrengselen van onze vereniging met Christus, gelijk de vruchtbaarheid van den wijnstok het gevolg is van haar een zijn met den wortel. Welke ook onze belijdenis en aanspraken mogen zijn, er wordt Gode geen vrucht gedragen tenzij wij gehuwd zijn met Christus, het is alleen in Christus Jezus dat wij geschapen zijn tot goede werken, Efeze 2:10. De enige vrucht die als goed in aanmerking komt is die, welke voortgebracht wordt in Christus. Hierdoor zijn de goede werken der gelovigen onderscheiden van die der huichelaars en eigengerechtigen, dat zij voortgebracht worden in huwelijk, in vereniging met Christus, in den naam van den Heere Jezus, Colossenzen 3:17. Dit is, zonder tegenspraak, een van de grote verborgenheden der godzaligheid.
B. Opdat wij alzo dienen zouden in nieuwigheid des geestes en niet in de oudheid der letter, vers 6. Gehuwd zijnde met een nieuwen echtgenoot, moeten wij onze wegen veranderen. Wij moeten voortgaan met dienen, maar het is nu een dienst die volkomen vrijheid is, terwijl de dienst van de zonde volstrekte slavernij was, wij moeten nu dienen in nieuwigheid des geestes, door nieuwe geestelijke beginselen, in geest en in waarheid, Johannes 4:24. Er moet een vernieuwing van onzen geest gewerkt worden door den Geest van God, en daarin moeten wij dienen. Niet in de oudheid der letter, dat is: wij moeten niet ons tevreden stellen met uiterlijke diensten, gelijk de vleselijk- gezinde Joden deden, die zich verhieven op hun aanhankelijkheid aan de letter der wet en niet achtten op het geestelijk deel van den eredienst. De letter wordt gezegd te doden door haar gebondenheid en verschrikking, maar wij zijn bevrijd van dat juk opdat wij God zouden dienen zonder vrees in heiligheid en gerechtigheid, Lukas 1:74, 75. Wij leven onder de bedeling des Geestes, en daarom moeten wij geestelijk zijn en dienen in den geest. (Verg. 1 Corinthiërs 3:3, 6.) Het komt ons toe te dienen achter het voorhangsel en niet in het voorhof.