Genesis 1:9-13
In deze verzen wordt het werk verhaald van de derde dag, de formering van zeeën en droog land, en het vruchtbaar maken van de aarde. Tot nu toe was de kracht van de Schepper aangewend en gebruikt voor het bovengedeelte van de zichtbare wereld. Het licht van de hemel was ontstoken, en het uitspansel gevestigd, maar nu daalt Hij neer tot deze lagere wereld, de aarde, die bestemd was voor de kinderen van de mensen, bestemd beide tot hun woning en om hen te voeden en te onderhouden, en hier wordt ons bericht, hoe zij voor die beide geschikt werd gemaakt, het bouwen van hun huis, en de toebereiding van hun tafel.
Merk op: I. Hoe de aarde toebereid werd tot een woning voor de mens: door het vergaderen van de wateren bij elkaar, en door te maken, dat het droge gezien wordt. In plaats dus van die verwarring door de dooreen menging van aarde en water in een grote massa, vers 2 zie, er is nu orde, door een scheiding, die ze beide nuttig maakt. God zei: Het zij, en het was, niet spoediger gezegd dan gedaan.
1. Aan de wateren, die de aarde hadden bedekt, werd bevolen zich terug te trekken zich in een plaats te vergaderen, namelijk in de holten, die bestemd en geschikt waren om ze te ontvangen. De wateren, die aldus gezuiverd, verzameld en in hun eigen plaats geleid werden, noemde Hij Zeeën, want hoewel er velen zijn, in ver verwijderde streken, en zij verschillende kusten bespoelen, hebben zij toch boven de grond en onder de grond gemeenschap met elkaar, en aldus zijn zij een, de gemene vergaderplaats van wateren, waarin alle rivieren vloeien, Prediker 1:7. Wateren en zeeën betekenen in de Schrift dikwijls benauwdheid en beproeving, Psalm 69:2, 3, 15. 16, 42:8. Gods eigen kinderen zijn daar in deze wereld niet van vrijgesteld, maar het is hun tot troost, dat dit slechts wateren zijn onder de hemel, (in de hemel zijn er geen) en dat zij allen in de plaats zijn, die God er voor bestemd heeft, en binnen de perken, die Hij er aan heeft gesteld. Hoe de wateren in het eerst vergaderd werden, en hoe zij nog door dezelfde almachtige hand, die ze binnen grenzen heeft geleid, daar in gehouden worden, is sierlijk beschreven in Psalm 104:6-9, waar dit vermeld wordt als een oorzaak tot lof. Die met schepen ter zee afvaren behoren dagelijks de wijsheid, macht en goedheid te erkennen van de Schepper, die de grote wateren voor de mens dienstbaar gemaakt heeft tot handel en verkeer, en zij, die thuis blijven, moeten zich schuldenaren erkennen van Hem, die de zee binnen de grendelen en deuren houdt van de plaats, die haar is aangewezen, en zich stelt tegen de hoogmoed van de golven, Job 38:10, 11.
2. Het droge werd uit de wateren te voorschijn gebracht, en werd Aarde genoemd, en aan de kinderen van de mensen gegeven. Het schijnt dat te voren de aarde wel in wezen was maar zij was niet nut, omdat zij onder het water was. Zo worden Gods gaven dikwijls te vergeefs ontvangen, omdat zij begraven liggen, breng ze te voorschijn, en dan worden zij dienstig. Wij, die op de huidige dag de weldaad genieten van droog land, (hoewel sedert de schepping de aarde in de zondvloed onder water was, maar toen weer opgedroogd werd) moeten ons als pachters erkennen, afhankelijk van God, "wiens handen het droge geformeerd hebben": Psalm 95:5, Jona 1:9.
II. Hoe de aarde toegerust werd met hetgeen voor de voeding en het onderhoud van de mens nodig was, vers 11, 12. Er werd terstond voorziening gemaakt door de onmiddellijke voortbrengselen van de uit de wateren opgerezene aarde, die, in gehoorzaamheid aan Gods gebod, dadelijk vruchtbaar werd, gras voortbracht voor het vee, en kruiden voor de mens. Er was ook voorziening gemaakt voor de toekomst door de bestendiging van de onderscheidene gewassen, die talrijk en van verschillende aard, en allen keurig en kostelijk zijn, elk van die gewassen zijn eigen zaad hebbende, naar zijn aard, opdat, gedurende het verblijf van de mens op aarde, voedsel voor hem verkregen wordt uit de aarde. Heere, wat is de mens dat Gij hem aldus gedenkt en bezoekt, dat zo'n zorg wordt gedragen, en zo'n voorziening wordt gemaakt voor het onderhoud en de bewaring van die schuldige, schadelijke levens, die duizendmaal verbeurd werden!
Merk hier op: 1. Dat niet alleen de aarde is des Heeren, maar ook haar volheid, en dat Hij de rechtmatige Eigenaar er van is met alles wat zij bevat. De aarde was ledigheid, vers 2, maar nu is zij door het spreken van een woord vol geworden van Gods schatten, en nog zijn zij van Hem, "Zijn koren en Zijn most, Zijn wol en Zijn vlas," Hosea 2:9. Hoewel ons het gebruik er van is toegestaan, blijft de eigendom er van toch berusten in Hem, en tot Zijn dienst en eer moeten zij gebruikt worden.
2. Dat de gewone voorzienigheid een voortdurende schepping is, en daarin werkt onze Vader tot nu toe. De aarde is nog steeds onder de kracht en uitwerking van dit gebod om gras en kruiden voort te brengen en haar jaarlijkse vruchten. En hoewel zij in de gewone loop van de natuur zijnde, niet als voortdurende wonderen zijn te beschouwen, zijn zij toch wel voortdurende voorbeelden van de onvermoeide kracht, en onuitputtelijke goedheid van de grote Maker en Meester van de wereld.
3. Dat God, hoewel Hij gemeenlijk gebruik maakt van de werking van de ondergeschikte oorzaken, overeenkomstig haar aard, ze echter niet nodig heeft, noch er aan gebonden is want, ofschoon de kostelijke vruchten van de aarde gewoonlijk voortgebracht worden door de invloeden van de zon en de maan, Deuteronomium 33:14 bevinden wij toch, dat hier de aarde een groter overvloed van vruchten, rijpe vruchten waarschijnlijk, voortbrengt, voordat de zon en de maan geschapen waren.
4. Dat het goed is om ons van het nodige te voorzien, eer wij ze nog behoeven te gebruiken. Vóór dat de dieren en de mens geschapen waren, waren hier gras en kruiden voor hen bereid. God heeft aldus wijs en genadig gehandeld met de mens, zo laat dan de mens niet dom en dwaas met zich zelf handelen.
5. Dat God de eer moet hebben van al het voordeel, dat wij uit de voortbrengselen van de aarde ontvangen, hetzij in voedsel of geneesmiddelen. Hij is het, die "de hemel verhoort, als de hemel de aarde verhoort," Hosea 2:20. En als wij door genade deel hebben in Hem, die de Fontein is, als de waterstromen zijn uitgedroogd, en de vijgenboom niet bloeit, dan kunnen wij ons toch in Hem verblijden.
Tot nu toe waren er op iedere dag zeer mooie en voortreffelijke wezens voortgebracht, die wij nooit genoeg kunnen bewonderen, maar vóór de vijfde dag lezen wij niet van de schepping van welk levend wezen dan ook, en daarover geven deze verzen ons nu het verhaal. Het scheppingswerk ging niet slechts trapsgewijs van het een naar het ander, maar ontstond en ging trapsgewijs voort van het minder voortreffelijke naar het meer voortreffelijke, om ons zo te leren naar de volmaaktheid te streven, opdat onze laatste werken onze beste werken zijn. Het was op de vijfde dag, dat de vissen en de vogels werden geschapen, allebei uit de wateren, hoewel de vissen een ander soort vlees zijn, dan de vogels, werden zij toch samen geschapen, uit de wateren, want de macht van de Eerste Oorzaak kan uit de macht van de tweede, of uit de daaraan ondergeschikte oorzaken, verschillende uitwerkingen teweegbrengen.
I. Het maken van de vissen en de vogels in den beginne, vers 20, 21. God gebood, dat zij voortgebracht zouden worden, vers 20. Dat de wateren overvloedig voortbrengen, zei Hij, niet dat de wateren zelf scheppende kracht hadden, maar "laten de vissen tot aanzijn komen in de wateren en de vogels buiten de wateren."
Dit bevel heeft Hij zelf ten uitvoer gebracht: God schiep de grote walvissen, enz. De insecten, die misschien wel even talrijk zijn als alle andere diersoorten, en even verwondering-wekkend zijn van bouw, maakten deel uit van het werk van deze dag, sommige van hen zijn verwant aan de vissen en andere aan de vogels. De heer Boyle zegt (naar ik mij herinner), dat hij de wijsheid en macht van de Schepper net zo bewondert in een mier, als in een olifant. Er wordt hier aandacht geschonken aan de verschillende soorten vissen en vogels, ieder naar hun aard, en aan het grote aantal van beide, dat voortgebracht werd, want de wateren brachten overvloedig voort. Er wordt voornamelijk melding gemaakt van de grote walvissen, waarvan de grootte en kracht, die van alle andere dieren overtreffen, en die treffende bewijzen zijn van de macht en grootheid van de Schepper. De uitdrukkelijke aandacht, die hier aan de walvis geschonken wordt boven al de overigen, schijnt voldoende om te bepalen welk dier met de leviathan bedoeld is, Job 40:20. De verwondering-wekkende formatie van het lichaam van de dieren, hun verschillende grootte, gestalte en natuur met de bewonderenswaardige vermogens van het gevoelsleven waarmee zij zijn begiftigd, kunnen, als zij nauwkeurig beschouwd worden, niet alleen dienen om de tegenwerpingen van atheïsten en ongelovigen te beschamen en tot zwijgen te brengen, maar om in Godvruchtige zielen verheven gedachten en eerbiedige lof aan God op te wekken, Psalm 104:25 enz.
II. Hoe God ze zegende tot hun voortbestaan. Leven doet slijten, deze kracht is niet als de kracht van stenen, zij is als van een kaars, die opbranden zal, als zij niet eerst uitgeblazen wordt, en daarom heeft de wijze Schepper niet alleen de verschillende individuen gemaakt, maar ook voor de voortplanting van de verschillende soorten gezorgd, vers 22. God zegende ze en zeide, weest vruchtbaar en wordt talrijk God zal Zijn eigen werken zegenen, en ze niet verlaten, en al wat God doet zal voor eeuwig zijn, Prediker 3:14. De kracht van Gods voorzienigheid houd alle dingen in stand, zoals Zijn scheppende macht ze in den beginne heeft voortgebracht. De uitwerking van Gods zegen is vruchtbaarheid, en aan die zegen moet zij toegeschreven worden, de vermenigvuldiging van vissen en vogels ieder jaar opnieuw, is nog steeds de vrucht van die zegen. Laat ons daarom dan God de eer brengen voor het voortbestaan van deze schepsels tot op de huidige dag, tot voordeel van de mens, zie Job 12:7-9. Het zou te betreuren zijn, als het vissen en de jacht op vogels-wat op zichzelf onschuldige vermaken zijn- ooit misbruikt zouden worden om iemand van God en zijn plicht af te houden, terwijl zij toch juist kunnen dienen om ons ertoe te leiden de wijsheid, macht en goedheid te overdenken van Hem, die deze dingen gemaakt heeft en ons zo met ontzag te vervullen voor Hem, net zoals de vissen en vogels ontzag hebben voor ons.