Genesis 42:29-38
1. Hier hebben wij het bericht, dat Jakob's zonen hun vader gaven, van de grote benauwdheid, die hun in Egypte was overkomen, hoe zij verdacht werden verspieders te zijn, gedreigd werden, en gedwongen om er Simeon gevangen achter te laten, totdat zij er met Benjamin weerkeerden. Wie zou hieraan gedacht hebben toen zij van huis gingen? Als wij op reis gaan behoren wij te denken aan de velerlei droeve ongevallen, die ons kunnen treffen eer wij weer thuis komen. Wij weten niet wat morgen geschieden zal, en daarom moeten wij altijd voorbereid wezen op het ergste.
2. Welk een diepe indruk dit op de godvruchtige man heeft gemaakt. Zelfs de bundels geld, die Jozef uit vriendelijkheid zijn vader terugzond, verschrikten hem, vers 35, want hij dacht dat het met een kwade bedoeling gedaan was, of wellicht verdacht, hij zijn zonen dat zij iets verkeerds gedaan hadden, en dat zij zich aan straf hadden blootgesteld, hetgeen aangeduid wordt in zijn zeggen, vers 36, Gij berooft mij. Hij schijnt de fout bij hen te zoeken, hun aard kennende, vreesde hij dat zij de Egyptenaars tot toorn hadden verwekt, en misschien door geweld of list hun geld weer hadden meegebracht. Jakob is hier zeer ontsteld.
a. Hij koestert treurige denkbeelden omtrent de tegenwoordige toestand van zijn gezin. Jozef, die is er niet, en Simeon, die is er niet, terwijl Jozef in eer en aanzien was, en Simeon op weg er heen. Dikwijls brengen wij ons in de war door onze eigen vergissingen, zelfs ten opzichte van feiten. Wezenlijke smart kan voortkomen uit valse tijdingen en veronderstellingen, 2 Samuël 13:31. Jakob denkt dat Jozef dood is, en dat Simeon en Benjamin in gevaar zijn, en nu komt hij tot deze gevolgtrekking: Al deze dingen zijn tegen mij. Het bleek anders, het bleek juist dat al deze dingen vóór hem waren, meewerkende hem en zijn gezin ten goede, en toch denkt hij dat al deze dingen tegen hem zijn. Door onze onwetendheid of onze vergissing, en de zwakheid van ons geloof vrezen wij dikwijls dat datgene tegen ons is, hetgeen in werkelijkheid voor ons is. Wij worden beproefd in ons lichaam, in onze bezitting, in onze naam en onze betrekkingen, en wij denken dat al deze dingen tegen ons zijn, terwijl zij in werkelijkheid ons een bijzonder uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid werken.
b. Voor het ogenblik heeft hij besloten dat Benjamin niet zal afreizen naar Egypte. Ruben staat er voor in dat hij hem veilig zal terugbrengen zonder er zelfs bij te voegen: Zo de Heere wil, zelfs geen rekening houdende met de gewone rampen, die reizigers kunnen treffen, maar dwaas biedt hij Jakob aan twee zijner zonen te doden (op wie hij waarschijnlijk zeer trots was) als hij hem niet terugbracht, alsof de dood van twee kleinzonen aan Jakob de dood van een zoon kon vergoeden. Neen, voor het ogenblik denkt Jakob: mijn zoon zal met ulieden niet afreizen. Hij geeft duidelijk wantrouwen in hen te kennen, gedenkende dat hij Jozef nooit heeft weergezien sedert die bij hen geweest is, en daarom: Benjamin zal niet met u meegaan op de weg, die u gaat, want gij zoudt mijn grauwe haren met droefenis ten grave doen neerdalen. Het staat slecht met een gezin, als de kinderen zich zo slecht gedragen, dat de ouders niet weten hoe zij hen zouden kunnen vertrouwen.