18. Gij hebt mij het leven wedergegeven, daar Gij u in het leven en den lof der uwen verheugt: want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen, die in den kuil nederdalen, zullen op Uwe waarheid niet hopen.
Het "nederdalen in den kuil" kan ook zien op den toestand der verdoemden (vgl. Job 33:23, 24). De spreekwijs, ontleend aan hetgeen den misdadigers wedervaart, die door het vonnis van den rechter veroordeeld, en door de handen van den scherprechter gedood zijn, en wier lichamen op ene eerloze wijze in een schandkuil worden geworpen; er worden derhalve booswichten bedoeld, die in hun zonden gestorven zijn en in het verderf neergezonken. Deze zullen op Gods waarheid niet hopen, vermits er aan de verdoemden gene beloften meer gedaan worden. Men moet denken, dat Hizkia zich in zijne ziekte niet alleen had voorgesteld, dat hij zou sterven, maar uit vergelijking met Vers 14, dat daarbij zouden zijn gekomen vreeswekkende bedenkingen van het ongeloof, dat hij van God, als van een vertoornden Rechter, zou worden afgesneden en in het verderf neerzinken.