Genesis 25:11-18
Onmiddellijk na het bericht van Abrahams dood begint Mozes aan de geschiedenis van Izak, vers 11, en zegt ons waar hij woonde en op hoe merkwaardige wijze God hem zegende. De zegen van Abraham is niet met hem gestorven, maar blijft bestaan voor al de kinderen van de belofte. Maar nu wijkt hij terstond af van de geschiedenis van Izaak, om een kort bericht te geven omtrent Ismaël, daar hij Abrahams zoon was en God enige beloften omtrent hem gegeven had, en het voor ons nodig is te weten, dat die beloften vervuld zijn.
Merk op hetgeen hier gezegd wordt:
I. Betreffende zijn kinderen, hij had twaalf zonen, twaalf vorsten worden zij genoemd, vers 16, hoofden van geslachten, die na verloop van tijd volken werden, onderscheiden stammen, talrijk en van groot gewicht. Zij bevolkten een zeer groot vastland, gelegen tussen Egypte en Assyrië, en Arabië genoemd. De namen van zijn twaalf zonen zijn hier opgegeven. Van Midian en Kedar lezen wij dikwijls in de Schrift. Sommige zeer goede Schriftverklaarders hebben nota genomen van de betekenis van de drie namen, die tezamen worden genomen, vers 14, als bevattende een goede raad aan ons allen: Misma en Duma en Massa, dat is: hoort, zwijgt stil en verdraagt. Wij hebben ze nogmaals en in dezelfde orde in Jakobus 1:19. Zijt ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn. De nakomelingen van Ismaël hadden niet slechts tenten in de velden, waarin zij in tijd van vrede rijk werden, maar zij hadden steden en kastelen, vers 16, waarin zij zich versterkten in tijden van oorlog. Het aantal en de kracht nu van dit geslacht waren de vrucht van de belofte, gedaan aan Hagar omtrent Ismaël Hoofdstuk 16:10, en aan Abraham, Hoofdstuk 17:20, en 21:13. Velen, die vreemdelingen zijn voor het verbond der belofte, zijn toch gezegend met uitwendige voorspoed om wille van hun Godvruchtige voorvaderen. "In hun huis zal have en rijkdom wezen."
2. Van hemzelf hebben wij een bericht van zijn ouderdom: hij leefde honderd zeven en dertig jaren, vers 17, hetgeen vermeld wordt om de kracht te tonen van Abrahams gebed voor hem, Hoofdstuk 17:18, Och dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht! Hier is ook een bericht van zijn dood, ook hij werd verzameld tot zijn volken, maar er wordt niet gezegd, dat hij des levens zat was, hoewel hij tot hoge ouderdom kwam. Hij was de wereld niet zo moede, en niet zo gewillig om haar te verlaten als zijn goede vader. De woorden: hij viel voor het aangezicht van al zijn broederen hetzij er de betekenis van is: "hij stierf," zoals wij ze opvatten, of, naar de opvatting van anderen, "zijn lot of deel viel," zijn bestemd om de vervulling aan te tonen van het woord aan Hagar, Hoofdstuk 16:12 :Hij zal wonen voor het aangezicht van alle zijn broederen, dat is: hij zal voorspoedig en aanzienlijk onder hen zijn, en tot het laatste toe standhouden. Of, hij stierf omringd van zijn vrienden, hetgeen troostrijk is.