Genesis 31:17-24
Hier is:
I. Jakob's vlucht van Laban. Wij kunnen veronderstellen, dat hij er lang over gedacht heeft, en het plan wèl had overwogen, maar nu God hem tenslotte stellige orders had gegeven om heen te gaan, treuzelde hij niet, en is het hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest. De eerste gelegenheid, die zich aanbood, greep hij aan, en dat was toen Laban heenging om zijn schapen te scheren, vers 19, dat deel van zijn kudde, dat onder de hoede was van zijn zonen, op afstand van drie dagreizen.
1. Het is zeker, dat het Jakob geoorloofd was zijn dienst plotseling te verlaten, zonder drie maanden tevoren te waarschuwen. Het was niet alleen gerechtvaardigd door de bijzondere instructies, die God hem gegeven had, maar hij was er ook toe gerechtigd door de fundamentele wet van het zelfbehoud, die ons beveelt om, als wij in gevaar zijn, voor onszelf te zorgen, inzover wij het kunnen zonder ons geweten geweld aan te doen.
2. Het was zijn wijsheid om Laban te misleiden want anders zou Laban zijn vertrek verhinderd of hem beroofd hebben.
3. Het was eerlijk gedaan, daar hij niets meer dan het zijne meenam, het vee, dat hij verworven had, vers 18. Hij nam wat God in Zijn voorzienigheid hem gegeven had, en was daarmee tevreden, en wilde de schadevergoeding niet zelf in handen nemen. Rachel was echter niet zo eerlijk als haar man, zij stal de terafim, die haar vader had, vers 19, en nam ze mee. Sommigen denken, dat dit slechts beeldjes waren, voorstellingen van de voorouders van het geslacht, hetzij geschilderd of gebeeldhouwd, waar Rachel zeer bijzonder aan gehecht was en die zij gaarne wilde meenemen, nu zij naar een vreemd land ging. Zij schijnen echter veeleer beelden geweest te zijn, bestemd tot godsdienstig gebruik, "penates huisgoden,' hetzij aangebeden, of geraadpleegd als orakelen, en met bisschop Patrick willen wij gaarne hopen, dat zij ze niet wegnam om het kostbare metaal, waarvan zij vervaardigd waren, en nog veel minder voor haar eigen gebruik, of uit enigerlei bijgelovige vrees, dat Laban, door zijn terafim te raadplegen, te weten zou komen waar zij heen waren gegaan. Jakob heeft ongetwijfeld als een man van kennis bij zijn vrouwen gewoond, en zij waren dus te goed onderwezen om zo iets te doen, maar zij zou hierdoor haar vader kunnen overtuigen van de dwaasheid om die beeldjes als goden te vereren, die zo weinig in staat waren om zichzelf te verdedigen of te beveiligen. Jesaja 46:1, 2.
II. Labans achtervolgen van Jakob. Op de derde dag werd hem de tijding gebracht dat Jakob gevlucht was, onmiddellijk roept hij zijn bloedverwanten tezamen. Hij nam zijn broeders, dat is: die aan zijn geslacht verwant waren en onder zijn invloed stonden, en hij vervolgt Jakob, zoals Farao en zijn Egyptenaren later het zaad van Jakob vervolgd hebben, om hem terug te brengen in dienstbaarheid, of met het doel hem van het zijne te beroven. Zeven dagen marcheerde hij om hem te achtervolgen, vers 23. Hij zou zich niet half zoveel moeite hebben gegeven om zijn beste vrienden te bezoeken. Slechte mensen zullen meer doen om hun zondige hartstochten te dienen, dan goede mensen zullen doen om hun rechtmatige belangen te dienen, en zijn heftiger in hun toorn dan in hun liefde. Eindelijk haalde Laban hem in, maar in de nacht voordat hij hem ontmoette, trad God tussenbeiden, bestrafte Laban en beschutte Jakob, Laban bevelende goed noch kwaad met Jakob te spreken, vers 24, dat is: niets te zeggen tegen het voortzetten van zijn reis, want dat zij van den Heere was voortgekomen. Ditzelfde hebraïsme hebben wij in Hoofdstuk 24:50. Gedurende zijn zevendaagse tocht was Laban vervuld van toorn en woede tegen Jakob, en nu was hij vervuld van hoop, dat "zijn ziel van hem vervuld zal worden." Exodus 15:9, dat is: dat hij naar zijn lust met hem zal kunnen doen, maar God komt tot hem, en met een enkel woord bindt Hij hem de handen, hoewel Hij zijn hart niet verandert. "In de droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger, dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun instructie," Job 33:15, 16. Aldus vermaant en waarschuwt Hij ook de mensen door hun geweten in verborgen fluisteringen, die de wijze zal horen en ter harte nemen. De veiligheid van de godvruchtigen moet in grote mate toegeschreven worden aan Gods macht over het geweten der mensen, en de toegang, die Hij daartoe heeft. Soms verschijnt God wonderbaarlijk tot hulp en verlossing van Zijn volk op het ogenblik, wanneer zij tot aan den rand van het verderf zijn gekomen. De Joden werden gered van de ondergang door Hamans complot tegen hen, toen des konings woord nabij was gekomen, dat men het doen zou, Esther 9:1.