Deuteronomium 31:14-21
I. Hier worden Mozes en Jozua geroepen om in de deur van de tent van de samenkomst voor de Goddelijke Majesteit te verschijnen, vers 14. Aan Mozes wordt wederom gezegd dat hij weldra zal sterven, zelfs zij, die het meest bereid en gewillig zijn om te sterven, hebben het toch nodig om herinnerd te worden aan het naderen van de dood. Uit aanmerking hiervan moet hijzelf komen om God te ontmoeten, want alles wat onze gemeenschap met God bevordert, helpt ons om ons op sterven te bereiden. Hij moet ook Jozua meebrengen, om aan God als zijn opvolger voorgesteld te worden, en om zijn opdracht en last te ontvangen. Mozes gehoorzaamt geredelijk aan de oproeping, want hij behoorde niet tot degenen, die hun opvolgers met lede ogen aanzien, integendeel, hij verblijdde zich in hem.
II. God is hen genadig ontmoet. Hij verscheen in de tent van de samenkomst (zoals de Schechina placht te verschijnen) in de wolkkolom, vers 15. Dit is de enige maal dat wij in geheel dit boek lezen van de verschijning van de heerlijkheid Gods, terwijl wij er in de vorige boeken dikwijls van gelezen hebben, hetgeen misschien te kennen geeft dat in de laatste dagen, onder de Evangelische wet, zulke zichtbare verschijningen van de Goddelijke heerlijkheid niet verwacht moeten worden, maar dat wij zoveel te meer moeten achtgeven op het profetische woord, dat zeer vast is.
III. Hij zegt aan Mozes dat na zijn dood het verbond, dat hij met zoveel moeite heeft opgericht tussen Israël en hun God, gewis verbroken zal worden.
1. Dat Israël God zal verlaten, vers 16. En wij kunnen er zeker van zijn, dat, als het verbond tussen God en de mens verbroken wordt, de schuld aan de mens moet liggen, hij is het, die het verbreekt, wij hebben het reeds dikwijls opgemerkt: Nooit verlaat God de mensen, voordat zij Hem verlaten. Het aanbidden van de goden van de Kanaänieten (die de inboorlingen geweest zijn van dat land, maar van nu voortaan als de vreemdelingen er van beschouwd zullen worden) zal ongetwijfeld als een verlaten van God worden aangemerkt, gelijk overspel als een verbreking van het verbond. Zo zijn nu nog diegenen afvalligen van Christus, en zullen als zodanig geoordeeld worden, die hetzij een god maken van hun geld door heersende begeerlijkheid of een god van hun buik door heersende zinnelijkheid. Zij, die zich tot andere goden wenden, vers 18, verlaten hun eigen voorrechten. Deze hun afval wordt voorzegd als een gevolg of uitwerking van hun voorspoed, vers 20. Zij zullen eten en verzadigd worden, dat is alles wat zij met hun eten op het oog hebben hun eigen lusten te bevredigen, en dan zullen zij vet worden, gerust worden en zinnelijk worden, hun gerustheid zal hun vrees wegnemen voor God en Zijn oordelen, en hun zinnelijkheid zal hen neigen tot de afgoderijen van de heidenen, die het vlees verzorgen tot begeerlijkheden. God voorziet helder en onfeilbaar al de goddeloosheid van de goddelozen, en heeft dikwijls een verbond gemaakt met degenen, van wie Hij heeft geweten, dat zij geheel trouweloos handelen zullen, Jesaja 48:8, en vele gunsten verleend aan hen van wie Hij wist dat zij zeer ondankbaar zullen handelen.
2. Dat God dan Israël zal verlaten, en rechtvaardig verwerpt Hij hen, die Hem onrechtvaardig hadden verworpen, vers 17. Zo zal Mijn toorn te die dage tegen hetzelve ontsteken, en Ik zal hen verlaten. Zijn voorzienigheid zal hen verlaten, hen niet langer beschermen en voorspoedig maken, en dan zullen zij hun naburen ten prooi worden. Zijn Geest en genade zal hen verlaten, hen niet langer onderwijzen en besturen, en dan zullen zij hoe langer hoe meer bijgelovig verdwaasd en verhard worden in hun afgoderij. Aldus zullen vele kwaden en benauwdheden hen treffen, vers 17, 21, die zulke blijkbare tekenen zullen zijn van Gods misnoegen op hen, dat zij zelf gedwongen zullen zijn het te erkennen: "Hebben ons deze kwaden niet getroffen, omdat onze God in het midden van ons niet is?" Zij, die tegen God gezondigd hebben, zullen bevinden dat zij alle kwaden op hun eigen hoofd hebben gebracht. Maar wat hun ellende voltooide, was dat God te die dage Zijn aangezicht van hen zal verbergen, te dien dage van hun benauwdheid, vers 18. In welke uitwendige benauwdheden wij ook zijn, zo wij slechts het licht van Gods aangezicht hebben, kunnen wij gerust zijn. Maar indien God Zijn aangezicht verbergt voor ons en voor onze gebeden, dan zijn wij verloren.
IV. Hij beveelt aan Mozes hun een lied te schrijven en te leren, bij het opstellen waarvan Gods Geest hem zal bezielen, en dat een blijvend getuigenis zal zijn voor God, als getrouw aan hen, door hen te waarschuwen, en tegen hen, als personen, die ontrouw zijn aan henzelf, door de waarschuwing niet aan te nemen, vers 19. Het geschreven woord in het algemeen, zowel als dit lied in het bijzonder is een getuige voor God tegen allen, die het verbond met Hem verbreken. Het zal tot een getuigenis zijn, Mattheus 24:14. De wijsheid des mensen heeft velerlei middelen uitgedacht om de kennis mee te delen van goed en van kwaad: door wetten, geschiedenissen, profetieen, spreuken, en onder die allen, door liederen, ieder van deze heeft zijn nut. En de wijsheid van God heeft in de Schrift van die allen gebruik gemaakt, opdat onwetende en zorgeloze lieden zonder verontschuldiging zouden gelaten worden.
1. Dit lied, op de rechte wijze gebruikt, zou het middel kunnen zijn om hun afval te voorkomen, want in het opstellen er van had God het oog op hun tegenwoordig gedichtsel, nu, heden, aleer zij ingebracht waren in het land van de belofte, vers 21. God wist zeer wel dat er in hun hart zulke grove denkbeelden waren omtrent de Godheid en zulk een neiging tot afgoderij, dat zij aansteker zal wezen voor de vonken van deze verzoeking, en daarom waarschuwt Hij hen in dit lied voor hun gevaar. Het woord Gods is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen des harten en komt de zondaar tegen met zijn berispingen en bestraffingen, Hebreeën 4:12. Vergelijk 1Cor. 14:25. Leraren, die het Woord prediken, kennen het gedichtsel niet van het hart van de mensen maar God, wiens Woord het is, kent het volkomen.
2. Indien dit lied hun afval niet voorkwam, zou het toch een hulp kunnen zijn om hen tot bekering te brengen, en hen van hun afval terug te brengen. Als hun kwaad en benauwdheden over hen gekomen zullen zijn, zal dit lied niet worden vergeten, maar kan dan tot een spiegel dienen om er hun aangezicht in te zien, zodat zij zich verootmoedigen en weerkeren tot Hem, van wie zij zijn afgevallen. Hen, voor wie God genade heeft weggelegd, kan Hij wel in zo ver aan zichzelf overlaten, dat zij vallen, maar Hij zal in de middelen voorzien tot hun herstel en hun wederoprichting. De medicijn is reeds bereid tot hun genezing.