Exodus 34:18-27
Hier is een herhaling van verschillende bepalingen, die tevoren reeds gemaakt zijn inzonderheid met betrekking tot hun plechtige feesten. Toen zij het kalf hadden gemaakt, riepen zij een feest uit ter ere daarvan, opdat zij dit nu nooit weer zouden doen, wordt hun hier bevolen de feesten te houden die God ingesteld heeft. De mensen behoeven zich van hun Godsdienst niet te laten aftrekken door de verzoeking van vrolijkheid want wij dienen een Meester, die in zeer ruime mate voorzien heeft, om Zijn dienstknechten blijdschap en vrolijkheid te doen hebben, ernstige Godsvrucht is een voortdurend feest en voortdurende blijdschap in God.
1. Een dag in de week moeten zij rusten vers 21, zelfs in de ploegtijd en in de oogst, de drukste tijden van het jaar. Alle wereldlijke bezigheden moeten plaatsmaken voor die heilige rust, het oogstwerk zal er te voorspoediger om gaan als in de oogsttijd de sabbatdag Godsdienstig wordt waargenomen. Hierdoor moeten wij tonen dat wij aan gemeenschap met God en aan onze plicht jegens Hem de voorkeur geven boven oogstwerk en oogstvreugde.
2. Driemaal in het jaar moeten zij feestvieren, vers 23, dan moesten zij voor het aangezicht des Heeren, de Gods Israëls, verschijnen. In al ons naderen tot God moeten wij het oog op Hem hebben:
a. als de Heere God, volzalig, groot en heerlijk, opdat wij Hem met eerbied en Godvruchtige vrees aanbidden.
b. Als de God Israëls, een God in verbond met ons, opdat wij aangemoedigd zijn om op Hem te vertrouwen en Hem te dienen met blijdschap. Wij zijn altijd voor Gods aangezicht, maar in heilige plichten moeten wij ons stellen voor Zijn aangezicht, zoals dienstknechten om orders te ontvangen, zoals smekelingen om gunsten te vragen, en wij hebben reden om beide te doen met blijdschap.
Maar nu zou het denkbeeld kunnen opkomen dat wanneer alle mannen uit het gehele land waren opgegaan ter aanbidding in de plaats, die God zou verkiezen, het land blootgesteld zou zijn aan invallen van hun naburen, en wat zal er dan worden van de arme vrouwen en kinderen, de zieken en de ouden van dagen, die men thuis moet laten? "Vertrouwt die toe aan God, vers 24, niemand zal uw land begeren, zij zullen het niet slechts niet aanvallen zij zullen daar zelfs niet eens aan denken." Alle harten zijn in Gods hand en onder Zijn bedwang. Hij kan beslag leggen, niet slechts op wat de mensen doen, maar ook op hun begeerten. Kanaän was een begeerlijk land, en de naburige volken waren begerig genoeg, en toch zegt God: "Zij zullen het niet begeren." Laat ons alle zondige begeerten tegen God en Zijn heerlijkheid in ons eigen hart beteugelen, en dan vertrouwen dat Hij alle zondige begeerten in het hart van anderen tegen ons en onze belangen zal tenonder houden. De weg van de plicht is de veilige weg. Als wij God dienen zal Hij ons bewaren, en zij, die het met Hem wagen, zullen nooit iets verliezen. Zolang wij in Gods werk gebruikt worden, zijn wij onder Zijn bijzondere bescherming, zoals edellieden en parlementsleden hebben wij het voorrecht van niet gearresteerd te mogen worden.
De drie feesten met hun aanhangsels worden hier genoemd.
Ten eerste. Het Pascha en het feest van de ongezuurde broden, ter gedachtenis aan hun verlossing uit Egypte, en daaraan is de wet van de lossing van de eerstgeborenen toegevoegd, vers 18-20 Dit feest werd ingesteld, Hoofdstuk 12:15 en er nogmaals op aangedrongen in Hoofdstuk 23:15.
Ten tweede. Het feest van de weken, dat is: het pinksterfeest, zeven weken na het pascha, en daarmee wordt de wet van de eerstelingen verbonden.
Ten derde. Het feest van de inzameling aan het eind van het jaar dat het Loofhuttenfeest was, vers 22, ook daarvan had Hij reeds tevoren gesproken, Hoofdstuk 23:16. Wat betreft de wetten, die hier herhaald worden, vers 25, 26:die tegen het gedesemde heeft betrekking op het pascha, die van de eerstelingen op het pinksterfeest, en daarom heeft die betreffende het niet koken van het bokje in de melk van zijn moeder naar alle waarschijnlijkheid betrekking op het feest van de inzameling, waarbij God niet wilde, dat zij de bijgelovige plechtigheid zouden waarnemen, die zij waarschijnlijk bij de Egyptenaren of bij andere naburige volken gezien hadden om er hun oogst mee te zegenen.
Met deze wetten, die hier herhaald zijn, is waarschijnlijk alles wat tevoren tot hem gezegd was op de berg, ook herhaald en werd hem ook wederom het voorbeeld van de tabernakel getoond, want de ontsteltenis en ontstemming, die het gouden kalf in zijn gemoed hadden teweeggebracht, zouden ook wel enige verwarring bij hem hebben kunnen doen ontstaan in de denkbeelden omtrent hetgeen hij gezien en gehoord had, en er iets van uitgewist kunnen hebben in zijn herinnering. Het was ook ten teken van een volkomen verzoening, en om aan te tonen dat geen tittel of jota van de wet voorbij zal gaan, maar dat alles zorgvuldig bewaard zou worden door de grote Middelaar, die niet gekomen is om de wet te ontbinden, maar te vervullen, Mattheus 5:17, 18. En bij het einde wordt aan Mozes bevolen:
1. Deze woorden te schrijven, vers 27, opdat het volk er door een herhaalde lezing beter bekend mee zou worden, en zij aan de toekomende geslachten zouden worden overgeleverd, nooit kunnen wij Gode genoeg dankbaar zijn voor het geschreven woord.
2. Wordt hem gezegd dat God volgens deze woorden een verbond zal maken met Mozes en met Israël, niet onmiddellijk met Israël, maar met hen in Mozes als middelaar. Aldus is het verbond van de genade gemaakt met de gelovigen door Christus, die gegeven is tot "een verbond des volks," Jesaja 49:8. En gelijk hier het verbond was gemaakt volgens het gebod, zo is het ook nu nog, want door de doop zijn wij in het verbond gebracht, opdat ons geleerd wordt te onderhouden alles wat Christus ons geboden heeft, Mattheus 28:19, 20.