Exodus 19:9-15
1. God geeft hier aan Mozes Zijn voornemen te kennen om af te komen op de berg Sinaï in een zichtbare verschijning van Zijn heerlijkheid in een dikke wolk, vers 9, want Hij heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen, 2 Kronieken 6:1, en Hij maakte haar tot Zijn tent. Psalm 18:12, "het vlakke van Zijn troon," toen Hij hem op de berg Sinaï oprichtte, "vasthoudende, en een wolk daarover spreidende," Job 26:9. Deze dikke wolk was er om het nieuwsgierig vragen naar verborgen zaken te verbieden, en een eerbiedige aanbidding te gebieden van hetgeen geopenbaard was. God wilde voor de ogen van al het volk afkomen op de berg Sinaï, vers 11, hoewel zij generlei gelijkenis zouden zien, zullen zij toch genoeg zien om hun de overtuiging te geven dat God waarlijk in hun midden was. En de top van de berg Sinaï was zo hoog dat, naar men onderstelt, niet alleen het kamp van Israël, maar ook de omliggende landen een buitengewone verschijning van heerlijkheid er op konden waarnemen, waardoor schrik en ontzag in hen gewerkt werden. Het schijnt ook bijzonder bedoeld te zijn om eer aan te doen aan Mozes, vers 9, opdat het volk hore als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwig aan u geloven. Aldus werd de gemeenschap eerst gevestigd door een waarneembare verschijning van de goddelijke heerlijkheid, die later meer in stilte voortgezet zou worden door de dienst van Mozes. Evenzo is de Heilige Geest zichtbaar neergedaald op Christus bij Zijn doop en allen, die tegenwoordig waren, hoorden God met Hem spreken, Mattheus 3:17, opdat zij later zonder de herhaling van zulke zichtbare tekenen, in Hem zouden geloven. Evenzo is ook de Heilige Geest in verdeelde tongen als van vuur op de apostelen neergekomen, Handelingen 2:3, opdat men hen zou geloven.
Merk op: Toen het volk zich bereid had verklaard om de stem van God te gehoorzamen, heeft God beloofd dat zij Zijn stem zouden horen, want "zo iemand wil deszelfs wil doen, die zal hem kennen," Johannes 7:17.
II. Hij gebood Mozes toebereidselen te maken voor deze grote plechtigheid, waarvoor Hij hem twee dagen gaf.
1. Hij moet het volk heiligen, vers 10, zoals Job voormaals heenzond en "zijn zonen heiligde," Job 1:5. Hij moet hun verwachting opwekken door hun kennis te geven wat God doen zou, en hen helpen in hun toebereidselen door hen te zeggen wat zij moeten doen. "Heilig hen", dat is: "Roep hen af van hun gewone bezigheid, en roep hen tot oefeningen van godsvrucht, tot bepeinzing en gebed, opdat zij de wet uit Gods mond met eerbied ontvangen. "Laat hen bereid zijn", vers 11. Als wij in plechtige inzettingen tot God naderen, dan moeten wij ons heiligen, en ons er op toebereiden. Afdwalende gedachten moeten teruggeroepen worden, onreine neigingen weerstaan, ontrustende hartstochten bedwongen worden, ja, en alle zorgen omtrent wereldlijke aangelegenheden voor het ogenblik weggedaan worden, opdat onze harten zich verplichten om tot God te naderen. Twee dingen in het bijzonder worden voorgeschreven als tekenen en voorbeelden van hun toebereiding.
a. Ten teken van hun zich reinigen van alle zondige verontreiniging om tot een heilig God te kunnen naderen, moeten zij hun kleren wassen vers 10, en zij deden het, vers 14. Niet alsof God onze kleding aanziet, maar terwijl zij hun kleren wasten, wilde Hij hen doen denken aan het wassen van hun zielen door berouw en bekering van de zonden, die zij in Egypte en sedert hun verlossing begaan hadden. Het betaamt ons om in reine kleren gekleed te zijn, als wij voor grote, aanzienlijke mannen verschijnen, en zo worden reine harten vereist, als wij tot de grote God naderen, die ze even duidelijk ziet als de mensen onze kleren zien. Dit is volstrekt noodzakelijk voor een aanbidding, die voor God welbehaaglijk is, zie Psalm 62:6, Jesaja I: 16- 18, Hebreeën 10:22.
b. Ten teken, dat zij zich geheel en al wijden aan oefeningen van de godsvrucht, moeten zij zich gedurende deze drie dagen bij deze gelegenheid onthouden zelfs van wettelijk geoorloofde genietingen, en niet tot de vrouw naderen vers 15. Zie 1 Corinthiërs 7:5.
2. Hij moet de berg afzetten, vers 12, 13. Waarschijnlijk heeft hij een lijn getrokken, of gracht gemaakt rondom de voet van de berg die, op straffe des doods, door niemand overschreden mocht worden. Dit was om te kennen te geven:
a. De nederige eerbied, waardoor elk bezield moet wezen, die God aanbidt. Wij zijn geringe schepselen voor het aangezicht van een grote Schepper, snode zondaars in het oog van een heilig en rechtvaardig Rechter, en daarom betamen ons eerbied en godvruchtigheid, Hebreeën 12:28, Psalm 2:11.
b. De afstand, waarop de aanbidders zich moesten houden onder deze bedeling, waarop wij moeten letten, opdat wij ons voorrecht onder het evangelie des te meer zullen waarderen, daar wij "vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus," Hebreeën 10:19.
3. Hij moet het volk bevelen acht te geven op het teken, dat hun gegeven zal worden, vers 13. "Als de ramshoorn langzaam gaat, dan moeten zij hun plaatsen innemen aan de voet van de berg, en neerzitten aan Gods voeten", zoals het verklaard wordt in Deuteronomium 33:3. Nooit was zo'n grote vergadering samengeroepen, nooit was er voor zo'n grote vergadering gepredikt, als hier. Geen menselijke stem kon het oor bereikt hebben van zovelen, maar Gods stem heeft ze bereikt.