3. En God heeft de zevende dag gezegend en die geheiligd, 1) legde een bijzondere zegen op deze dag en zonderde die uit van de overige dagen, opdat de mens, zijn beeld, eveneens op die rustte, omdat Hij op dezelfde gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken,2) dat is om te onderhouden, of hetwelk Hij scheppende gemaakt had. Voor de reine mens gaf God de sabbatsvreugde; het is een nieuwe Sabbath in de hemel, als de zondige mens wordt herschapen en God zijn eeuwige Sabbath geworden is. Rusten, zegenen, heiligen is het ware Sabbath vieren.
1) In de grondtekst staat een werkwoord, dat oorspronkelijk "afzonderen" betekent. Door afzondering werd iemand of iets heilig. Een lam ten zoenoffer bestemd werd afgezonderd, opdat het een heilig offer zou zijn. De Priester heiligde zich door zich af te zonderen. Zo ook heeft God, de Heere de Sabbath afgezonderd van de overige dagen, en wil Hij dat wij die van de overige dagen als afgezonderd, d.i. als heilig zullen beschouwen. De Heere God gaf aan deze dag een bijzondere zegen. Op de viering van die dag naar Zijn wil, heeft God een bijzondere zegen gezet..
2) Tegenover al die verdichtingen en mythen in de Kosmologieën (stelsels aangaande het ontstaan van de wereld), die buiten de Bijbel voorkomen, schittert het hier voor ons liggende scheppingsverhaal in helder licht der waarheid, en zelfs Jean Paul heeft gezegd: "het eerste blad van de Mozaïsche oorkonde heeft meer gewicht, dan alle folianten van de natuuronderzoekers en wijsgeren." Wat de met zo veel beslistheid door de nieuwere geologie (aardkunde) vastgestelde scheppingsperioden betreft, deze zijn slechts afgeleid uit de opeenvolging van de verschillende steen- en aardlagen, die de aardkorst vormen, deels uit de in deze lagen gevonden soorten van overblijfselen van planten en dieren. Uit het onderscheid tussen deze en de tegenwoordige planten- en dierenwereld heeft men de conclusie getrokken, dat aan deze schepping een vroegere voorafgegaan moet zijn. Zulk een besluit zou dan alleen aangenomen moeten worden, als de wijze van ontstaan van die steen- en aardlagen volledig bekend zou zijn en ook de verschillende formeringen, in gelijke volgorde en en duidelijk onderscheiden, gevonden werden, wat geenszins het geval is. Het is geenszins bewezen, niet eens zelfs algemeen door de geognosie (kennis van de mijnen) aangenomen, dat elk van die versteningen een eigenaardige planten- en dierenwereld bevatten, noch dat deze zo geheel van de tegenwoordige verschillen, dat deze niet uit die eerste zou kunnen afstammen, noch dat de fossiele (versteende) overblijfselen van mensen van gelijke oudheid als die van de dieren niet voorkomen. Daarbij komt dat Midden-Azië, de wieg van het mensengeslacht, door de oudheidkenners nog in het geheel niet nader onderzocht is, en dat de Bijbel twee gebeurtenissen uit die vorige tijd bericht, waarvan de invloed op de vorming van de aardbodem en op de ontwikkeling van de planten- en dierenwereld geen natuurwetenschap afmeten kan; wij bedoelen de vloek, die, ten gevolge van de val van de stamouders van ons geslacht, door God over de aarde uitgesproken is en waardoor ook de dierenwereld aan het verderf onderworpen werd; (Genesis 3:17; Romeinen 8:20) en de zondvloed, waardoor de aardbodem tot boven de hoogste bergen onder water gezet werd, en alle wezens, die op het droge leefden, behalve het geborgene in de ark, omkwamen. Wie zal het bepalen welke omkeringen van de aarde onder die wateren hebben plaatsgehad? De uitspraken van de geologie mogen nu met het scheppingsverhaal van de Bijbel niet in tegenspraak zijn, de waarheid van de Schrift kunnen zij niet doen wankelen..
Vanwaar is dit scheppingsbericht ontstaan? Zonder twijfel heeft God al die scheppende arbeid reeds aan de eerste mensen geopenbaard; want zonder zulk een openbaring zouden de mensen, noch hun verhouding tot God, noch hun plaats in de wereld juist gekend hebben. De vraag is of deze lering van God aan de eerste mens, door middel van een visioen ten deel gevallen is (wanneer de geschiedenis van de toekomst door Johannes, de ziener van de Openbaringen, in de vorm van een visioen gezien werd, zo zou op gelijke wijze de geschiedenis van het begin aan de eerste mens in een visioen voorgesteld kunnen zijn.", of van mond tot mond, gelijk de Heer zelf met Mozes van aangezicht tot aangezicht, als een man met zijn vriend, sprak. (Exodus 33:11; Numeri 12:6; Deuteronomium 5:4) Het voor ons liggend bericht toont echter niet het minste spoor van een visioen, maar is duidelijk als eenvoudig geschiedverhaal te erkennen; wij moeten alzo tot het tweede besluiten. Wat nu God aan de eerste mensen over de schepping geopenbaard heeft, dat leverden zij met al het gewichtige, wat zij zelf beleefden en ondervonden, aan hun kinderen en nakomelingen over. Deze overlevering werd door het geslacht der vromen (Genesis 5) getrouw in het geheugen bewaard, zelfs bij de spraakverwarring, wat de inhoud betreft niet vervalst (Genesis 11:10 vv.) en met de kennis en de verering van de ware God van geslacht tot geslacht voortgeplant, totdat zij door Abraham een geestelijk erfgoed van het uitverkoren geslacht werd. Wanneer het schriftelijk opgetekend geworden is, laat zich niet zeker bepalen. Waarschijnlijk reeds geruime tijd vóór Mozes, die het als schriftelijk oorkonde in de Thora of het wetboek van Israël opgenomen heeft..
Bij de hoge leeftijd, die de mensen bereikten, behoefde dit geschiedverhaal niet door vele geslachten heen om tot de schrijver te komen. Adam kan het nog aan Lamech, Noach's vader, hebben meegedeeld, (Genesis 5:28) Sem weer aan Abraham..
De natuurwetenschap heeft lange tijd de eenheid van het mensengeslacht willen ontkennen, zoals de gelovige die uit de Schrift weet. Zelfs Ooken laat de mensen als kiemen in het zeeslijk zich ontwikkelen, met allerlei kruipende dieren zich voeden, en na vele jaren door een vloed bij menigten op het land geworpen worden. Wanneer nu echter de nieuwere onderzoekingen zekere bewijzen geleverd hebben voor de eenheid van het menselijk geslacht (Wagner, Geschichte der Urwelt; A. v. Humboldt, Kosmos), mag men zich dan niet verheugen, dat de waarheid van de Schrift gehandhaafd wordt? Bij zelfstandig onderzoek van de wetenschap komt zij meer en meer met de Schrift overeen. De grootste natuurgeleerden, Carl Richter, als aardrijkskundige, en Alex v. Humboldt, als natuuronderzoeker, stemmen meestal met hetgeen de Schrift zegt samen..
Doch al ware het ook dat de wetenschap zoveel verschil tussen de mensen zou ontdekken, dat bij natuurlijke voortplanting één mensenpaar hen niet zou hebben kunnen voortbrengen, zo stellen wij het geloof boven de wetenschap. Na het bouwen van Babels toren is door Gods wondermacht een scheiding tussen mensen en mensen gekomen, zodat zij een andere taal spreken, is het ongelooflijker, dat na lang verblijf van de geslachten in andere luchtstreken afwijkingen in schedelvorm enz. ontstonden? Degenen die zich mannen van de wetenschap noemen, spotten dikwijls met het eenvoudig geloof; waarom spotten zij niet liever met hun broeders, die leren, dat de mensen van de aap en de aap van de kikvorsen afstamt, en duizenden dwaasheden meer voorstellen? Wij geloven dat God uit één bloed het hele geslacht van de mensen gemaakt heeft. (Handelingen 17:26).
Niet dat alles wat geschapen was niet zeer goed was, maar iets kan zeer goed zijn en toch nog voor volmaking vatbaar. Een kind kan zeer volmaakt ter wereld komen en het is toch bestemd om man of vrouw te worden om zich volkomen te ontwikkelen. Van alles wat geschapen was, was slechts de aanvang geschapen..
I. Vers 4-17 Terugwijzende op de boven slechts kort verhaalde schepping van de mens wordt nu uitvoeriger bericht op welke wijze God de mens gemaakt, welke woonplaats Hij hem aangewezen heeft en welk gebod Hij hem gegeven heeft om zijn trouw daarin te bewijzen.