Genesis 2:4-7
In deze verzen wordt: I. Een naam gegeven aan de Schepper, die wij nog niet ontmoet hebben, en die is Jehova, waarvoor wij in onze overzetting steeds het woord HEERE in kapitale letters gebruiken om aan te duiden, dat er in het oorspronkelijke Jehova staat. In het eerste hoofdstuk werd Hij altijd Elohiem genoemd, een God van kracht, maar nu Jehova Elohiem, een God van kracht en volkomenheid, een voleindigende God. Gelijk wij Hem bekend zien bij Zijn naam Jehova, toen Hij verscheen om te volbrengen wat Hij had beloofd, Exodus 6:3, zo zien wij Hem nu bekend bij die naam, nu Hij voleindigd heeft wat Hij heeft begonnen. Jehova is de grote en onmededeelbare naam van God, die aanduidt, dat Hij Zijn bestaan heeft uit zich zelf, en aan alle dingen bestaan geeft, Hij wordt daarom gepast bij die naam genoemd, nu hemel en aarde volbracht zijn.
II. Er wordt nog verder nota genomen van de voortbrenging van planten en kruiden, omdat zij gemaakt en bestemd waren, om voedsel te wezen voor de mens, vers 5, 6, waar wij opmerken:
1. Dat de aarde haar vruchten niet voortbracht uit zich zelf, door een kracht, die haar eigen was, maar zuiver en alleen door de almachtige kracht van God, die iedere plant formeerde en elke struik, eer zij in de aarde groeiden. Zo is het ook met genade in de ziel, deze plant van naam groeit niet van zelf in de grond van de natuur, neen, zij is een werk van Gods eigen handen.
2. Ook de regen is een gave Gods, hij kwam niet, vóór dat God had doen regenen. Indien er gebrek is aan regen, het is God, die hem terug houdt, indien er overvloedige regen komt op zijn tijd, het is God, die hem zendt, indien hij komt op een bijzondere wijze, het is God, "die doet regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doet regenen," Amos 4:7.
3. Hoewel God gewoonlijk werkt door middelen, is Hij er toch niet aan gebonden, als het Hem behaagt kan Hij er ook zonder werken. Gelijk de planten voortgebracht werden vóór dat de zon gemaakt was, zo waren zij er ook vóór dat regen de aarde bevochtigde, en vóór dat de mens haar bebouwde. Hoewel wij daarom God niet moeten verzoeken door de middelen te veronachtzamen, moeten wij toch op God vertrouwen, ook als de middelen ontbreken.
4. Op de een of andere wijze zal God de planten van Zijn planting bewateren. Hoewel er nog geen regen was, heeft God een damp gemaakt, die dezelfde uitwerking had als regen, daarmee bevochtigde Hij de gehele aardbodem. Aldus behaagde het Hem Zijn doel tot stand te brengen door de geringste middelen, opdat de uitnemendheid van de kracht zij Godes. De Goddelijke genade daalt neer als een damp, of stille dauw, en bewatert de kerk zonder gerucht of gedruis, Deuteronomium 32:2.
III. Een meer bijzonder bericht van de schepping van de mens, vers 7. De mens is een kleine wereld, bestaande uit hemel en aarde, ziel en lichaam, en nu hebben wij hier een bericht van beider oorsprong, en van hun samenvoeging. Laat er ons met ernst over nadenken, en tot lof van onze Schepper zeggen: dat wij "op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt zijn," Psalm 139:14. In de aartsvaderlijke tijd verwijst Elihu naar deze geschiedenis, als hij zegt: "uit het leem ben ik ook afgesneden,' Job 33:6 vers 4, "en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt," Hoofdstuk 32:8 en, er is een geest in de mens, Let dus op:
1. De geringer oorsprong, en toch wonderlijke, schone bouw van het lichaam van de mens. De stof was gering, verachtelijk. Hij was geformeerd uit het stof van de aarde wel iets zeer onwaarschijnlijks om er de mens uit te maken, maar dezelfde oneindige Kracht, die de wereld uit niets gemaakt heeft, heeft de mens, Zijn meesterstuk, uit zo goed als niets gemaakt. Hij was gemaakt uit het stof, het kleine stof, dat op de oppervlakte van de aarde ligt. Waarschijnlijk geen droog stof, maar stof, bevochtigd door de damp, die uit de aarde opging, vers 6. Hij was niet gemaakt uit stofgoud, parel- of diamantpoeier, maar uit gewoon, stof, stof van de grond. Vandaar dat hij gezegd wordt "uit de aarde-choikos, stoffig te zijn," 1 Corinthiërs 15:17. En ook wij zijn uit de aarde, want wij zijn van zijn geslacht, en van dezelfde vorm. Zó nauwe verwantschap is er tussen de aarde en onze aardse ouders dat de schoot van onze moeder, waaruit wij geboren zijn, de aarde, genoemd wordt, Psalm 139:15, en de aarde, waarin wij begraven moeten worden, de moederschoot genoemd wordt, Job 1:21. Onze grondslag is in de aarde Job 4:19. Ons samenstel is aards, en de formering er van als een aarden vat, Job 10:9. Ons voedsel is uit de aarde, Job 28:5. Onze gemeenzaamheid is met de aarde, Job. 17:14. Onze vaderen zijn in de aarde, en onze eindstrekking is daarheen gericht, wat hebben wij dan om hoogmoedig op te wezen? Jesaja 51:1.
b. Toch was de Maker groot, en het maaksel schoon. De Heere God, de grote Bron van wezen en bestaan, heeft de mens geformeerd. Van de andere schepselen wordt gezegd, dat zij geschapen en gemaakt waren, maar van de mens, dat hij geformeerd was, hetgeen een trapsgewijze voortgang aanduidt in het werk in zeer grote stiptheid en nauwkeurigheid. Om de schepping van dit nieuwe wezen uit te dekken, neemt hij een nieuw woord, een woord (naar sommigen denken) ontleend aan des pottenbakkers formatie van zijn vat, want wij zijn het leem, en God is de Pottenbakker, Jesaja 64:8. Het lichaam van de mens is op wonderbaarlijk schone wijze gewrocht, Psalm 139:15, 16. Materiam superabat opus. Het werk overtreft de materialen. Laten wij "onze lichamen stellen tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande," Romeinen 12:1, als "levende tempelen," 1 Corinthiërs 6:19, en dan zullen onze vernederde lichamen weldra veranderd worden en gelijkvormig gemaakt aan het heerlijk lichaam van Christus, Filippenzen 3:21.
2. De hoge oorsprong, maar toch ook de bewonderenswaardige nuttigheid van de ziel des mensen.
a. Zij ontstaat uit de adem des hemels en wordt er door voortgebracht. Zij is niet, gelijk het lichaam, gemaakt uit de aarde en daarom is het te betreuren, als zij de aarde aankleeft, en aardse dingen bedenkt. Zij kwam onmiddellijk van God, Hij gaf haar om in het lichaam te zijn, Prediker 12:7, zoals Hij later de stenen tafelen met Zijn eigen Schrift gegeven heeft om ze in de ark te leggen en de urim van Zijn eigen samenstelling om op de borstlap des hogepriesters te zijn. Vandaar dat God niet alleen de Formeerder, maar de Vader van de geesten is. Laat de ziel, die God ons ingeademd heeft, uitgaan in verlangen naar Hem, en laat zij voor Hem wezen, daar zij van Hem is. Laten wij onze geest bevelen in Zijn handen, want uit Zijn handen hebben wij Hem ontvangen.
b. Zij heeft haar woning in een huis van leem, en is er het leven en het onderhoud van. Door haar is de mens een levende ziel, dat is: een levende mens, want de ziel is de mens. Het lichaam zou een waardeloos, nutteloos afzichtelijk geraamte zijn, indien de ziel het niet verlevendigde. Aan God, die ons deze ziel gegeven heeft, zullen wij er weldra rekenschap van hebben te geven, hoe wij haar gebruikt, haar gaven en vermogens aangewend hebben, en als het dan zal blijken, dat wij er schade aan geleden hebben, al was het ook om daardoor de gehele wereld te gewinnen, dan zijn wij voor eeuwig rampzalig. Daar dan nu de afkomst van de ziel zo edel is, haar aard en vermogens zo voortreffelijk zijn, zo laat ons niet behoren tot die dwazen, die hun eigen ziel versmaden, Spreuken 15:32, door aan het lichaam boven haar de voorkeur te geven. Toen onze Heere Jezus de ogen van de blinde met slijk heeft gezalfd, heeft Hij misschien te kennen gegeven, dat Hij het was, die de mens het eerst uit het leem van de aarde heeft geformeerd, en toen Hij blies op Zijn discipelen, zeggende: "Ontvangt de Heilige Geest," gaf Hij te kennen, dat Hij het was, die het eerst de mens in zijn neusgaten de adem des levens heeft ingeblazen. Hij die de ziel des mensen gemaakt heeft, is alleen machtig om haar te vernieuwen.