Genesis 2:1-3
Wij hebben hier: I. De regeling van het rijk van de natuur door Gods rusten van het werk van de schepping, vers 1, 2. Waar wij opmerken:
1. Dat de schepselen, beide in hemel en op aarde, hun heir zijn, of hun legerscharen, hetgeen aanduidt, dat zij talrijk zijn, maar gerangschikt, geoefend en onder bevel staande. Hoe groot is hun aantal! En toch kent en houdt ieder zijn eigen plaats. God gebruikt hen als Zijn legerscharen voor de bescherming van Zijn volk, en het verderf van Zijn vijanden, want Hij is de Heere van de heirscharen, van al deze heirscharen, Daniël 4:35.
2. Dat de hemel en de aarde voltooide werken zijn, en dat zijn ook al de schepselen, die er zich in bevinden. Gods werk is zó volkomen, dat er niets aan toe te doen en niets aan af te doen is, Prediker 3:14. God, die begon te bouwen, toonde zich wèl in staat te voleindigen.
3. Dat God, na het einde van de eerste zes dagen, opgehouden heeft van alle werken van de schepping. Hij heeft Zijn werk in dier voege geëindigd, dat Hij, hoewel Hij in Zijn voorzienigheid werkt tot nu toe, Johannes 5:17, in het bewaren en besturen van de schepselen, en inzonderheid van de formering van de geest des mensen in Hem, toch geen nieuwe soorten van schepselen maakt. In wonderen heeft Hij de natuur bedwongen en beheerst, maar nooit haar vastgestelde loop veranderd, of opgeheven, of iets toegevoegd aan iets van haar in stellingen.
4. Dat de eeuwige God, hoewel oneindig zalig in zich zelf, toch voldoening heeft gevonden in het werk van Zijn handen. Hij heeft niet gerust als iemand, die vermoeid is, maar als vindende een welgevallen aan Zijn eigen goedheid en de openbaring van Zijn heerlijkheid.
II. Het begin van het rijk van de genade in de heiliging van de sabbatdag, vers 3. Hij rustte op die dag, en had een welbehagen in Zijn schepselen, en toen heiligde hij hem, en heeft ons voorgeschreven om op die dag te rusten, en voldoening en vreugde te vinden in de Schepper, en Zijn rusten wordt in het vierde gebod als reden opgegeven voor ons rusten na onze zesdaagse arbeid.
Merk op: 1. Dat de plechtige viering van een dag in de zeven, als een dag van heilige rust, en heilig werk tot eer van God de onafwijsbare plicht is van allen, aan wie God Zijn heilige sabbatten heeft geopenbaard.
2. Dat de wijze van de sabbatheiliging de goede oude weg is, Jeremia 6:16. Sabbatten zijn zo oud als de wereld, en ik zie geen reden om te twijfelen, dat de sabbat, die nu in de staat van de onschuld was ingesteld, door het volk Gods in geheel de patriarchale tijd Godsdienstig werd waargenomen.
3. Dat de sabbat des Heeren in waarheid heerlijk is, en dat wij alle reden hebben hem te eren, hem te eren om zijn oudheid, zijn grote Auteur, de heiliging van de eerste sabbat door de heilige God zelf, en, in gehoorzaamheid aan Hem door onze eerste ouders in de staat van de onschuld. 4:Dat de sabbatdag een gezegende dag is, want God heeft hem gezegend, en wat Hij zegent is waarlijk gezegend. God heeft hem geëerd, heeft ons voorgeschreven om op die dag Hem te zegenen, en beloofd ons op die dag te zullen ontmoeten en zegenen.
5. Dat de sabbatdag een heilige dag is, want God heeft hem geheiligd. Hij heeft hem afgezonderd en onderscheiden van de overige dagen van de week, en Hij heeft hem zich afgezonderd tot Zijn dienst en eer. Hoewel men algemeen aanneemt, dat de Christelijke sabbat, die wij waarnemen, van de schepping af gerekend, niet de zevende, maar de eerste dag van de week is, mogen en moeten wij toch, daar het een zevende dag is, en wij er de rust op vieren en gedenken van God de Zoon, en de volbrenging van Zijn werk van de verlossing, de oorspronkelijke instelling van de sabbatdag eren door het werk van de schepping te gedenken tot eer van de grote Schepper, die daarom waardig is op die dag van alle Godsdienstige vergaderingen, lof, eer en dankzegging te ontvangen.