7. En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen, die toch zo wonderbaar heerlijk zijn, alle grenzen van het gewone te boven gaan en daarom zo licht hem, die ze ontvangt, in bedwelming brengen, niet zou verheffen, zo is mij als een tegenwicht van de Heere gegeven een scherpe doorn in het vlees, een scherpe doorn, die met gevoelige pijn in mijn vlees is ingedrongen en alle hoogmoed ten onderhoudt namelijk een engel van de satan (
Mattheus 25:41), a) dat hij mij met vuisten slaan zou (
Mattheus 26:67), opdat ik mij niet zou verheffen.
a) Job 2:6
Opdat anderen hem niet verheffen, onthoudt Paulus zich van roemen, waartoe hij wel aanleiding en stof heeft (Vers 6); maar opdat hij nu ook zichzelf niet verheft, is hem de doorn in het vlees gegeven. Het vlees is die kant van de menselijke natuur, die aan zonde en zwakheid is onderworpen. Aan deze zwakke kant moet hij de kastijding ondervinden, die hem tegenover de optrekking, die hij ondervond, op het gevoeligst laat ervaren, dat hij nog in het lichaam thuis is bij de Heere, dat hij nog in deze tabernakel is, nog in het aardse vat de overgrote schat draagt (Hoofdstuk 5:4, 4:7).
Als Paulus het hem overgekomen lijden in zijn vreselijke zwaarte beschrijven wil, worstelt hij met de taal en gaat hij van het ene beeld over tot het andere (van "doorn" tot "met vuisten slaan). " Bij de grote ongelijkheid van de beelden plaatst hij ze ook niet in grammaticale symmetrie bijeen, maar vat bij het tweede beeld de eigenlijke uitdrukking en de daarin neergelegde bedoeling met het beeld samen ("engel van de satan" en "met vuisten slaan. In de ontzaglijke smart van zijn lijden komt hem de bovenzinnelijke oorzaak, het geestelijke werktuig van het lijden, voor de geest, dat op deze manier in zeer vrije en stoute verbintenis met zijn werking, de "doorn in het vlees", optreedt. Wij zien, Paulus plaatst tegenover een zeer bepaalde heerlijke ervaring van genade een zeer bepaalde verootmoediging, die voor zijn persoon bleef, hoewel niet onafgebroken voortgaande. Wat de oorsprong aangaat is deze verootmoediging een satanische aanvechting en evenzo geheimzinnig. Zij was afkomstig uit de wereld van de duisternis, evenals die verheffing tot de wereld van de zalige engelen tot het gebied van het licht en het goede behoorden. Geheimzinnig als zijn oorsprong is dan ook bij menigeen dit lijden in die graad, dat zij niet wagen iets daarover te bepalen en werkelijk blijkt ook de grote moeilijkheid van nadere bepaling reeds uit het groot verschil van mening van de uitleggers.
Paulus' lijden is goddelijke beschikking, maar ook tevens een vrijwillig, boos handelen van de satan. De engel van de satan is de apostel toegezonden krachtens goddelijk bestuur en hem is over Paulus binnen Gods bepaalde grenzen macht verleend, om het doel, dat daardoor moet worden bereikt, namelijk, dat de apostel zich niet verhef. De verhouding nauwkeurig te bepalen, in hoeverre de satans engel in Gods hand werktuig is en als op Gods bevel de apostel de doorn in het vlees drukt en in hoeverre het laatste eigen uiting is van de boze wil van de satan of van diens engel is ons onmogelijk.
Het is de vraag, van welke aard dit lijden geweest is, omdat aan eigenlijke vuistslagen (alsof God de satan had toegelaten, dat hij de apostel onverwacht mocht overvallen en mishandelen, zoals zich andere uitleggers de zaak voorstellen) wel niet kan worden gedacht. De aanname van inwendige satanische bestrijding, door godslasterlijke gedachten of gewetensangsten over zijn vroegere vervolging van de Christenen (vgl. bij Handelingen 8:1, 2, 28:28, of voor begeerten tot ontucht (naar Roomse opvatting vooral tengevolge van zijn verbintenis met de schone Thekla) staat, afgezien van het laatstgenoemde, dat een geheel fantastisch en de Schrift geheel weersprekend (vgl. 1 Corinthiërs 7:7) product van monniken - ascetische exegese is, reeds tegenover het "in het vlees. " Nog minder waarschijnlijk is de verklaring van uitwendige bestrijdingen door vijanden, de dienaars van de satans in Hoofdstuk 11:15, onder welke vooral een zich moet hebben onderscheiden, de engel van de satan hier genoemd, of van moeilijkheden in de apostolische bediening in het algemeen; want het verband doet denken aan een bepaald, afzonderlijk lijden als tegenstelling tegenover verheven openbaringen en aan iets, om welks ophouden hij zo ernstig kon bidden, als hij volgens Vers 8 gedaan heeft, dat van zo'n ambtslijden niet kan worden gezegd. Het waarschijnlijkst is, dat hij een bijzonder zwaar en smartelijk lichamelijk lijden op het oog heeft gehad, dat hem toch niet verhinderde zulke inspanning en zulke arbeid te verdragen en zo grote bezwaren te torsen.
Dat de apostel niet de satan noemt, maar een engel van de satan, is niet anders, dan wanneer dezelfde daad de ene keer als een daad van God wordt voorgesteld en de andere keer als een daad van Zijn engel (vgl. bijv. Handelingen 12:23, 13:11 werking, die doelt op het verderven van het door God geschapene, kan aan hem worden toegeschreven, in wie die gehele tegen God gekante richting van de wil haar eerste oorsprong heeft, of aan een bijzondere van de geest, die geroepen is het door hem gewilde in een bijzonder geval te volbrengen. Evenals nu, zo zegt de apostel, een doorn in het vlees smartelijk wordt, als die er ingestoken wordt, of er zich inboort, zo doet de satansengel pijn aan zijn lichamelijke natuur, die om haar gevoeligheid voor tijdelijk kwaad met het woord "vlees" genoemd is. Nemen wij Galaten 4:13 v. te baat Ac 16:8, dan krijgen wij de voorstelling, dat de apostel door een bijzonder lichaamskwaad werd gepijnigd, dat hem zijn leven en zijn bediening op een manier bezwaarde, dat hij niet alleen zelf daaronder te lijden had, maar ook zij, wie hij de tijding van de zaligheid bracht, zich er aan ergeren konden en zich met vrees van hem terugtrekken, een voorstelling die ons zou doen denken aan vallende ziekte.
Ik heb er met de apostel Paulus over gedisputeerd en ik heb nog heden vreugde over die disputatie, wat toch wel zijn scolops, zijn doorn in het vlees zou zijn geweest, waarmee hij is gekruisigd en de vuistslagen, waarmee de duivel hem geslagen heeft; en ik ben soms zo hoogmoedig geweest, dat ik mij inbeeldde, dat ik met hem daarover kon disputeren, of dat ik dergelijke, even zware en veelvuldige verzoekingen had ondervonden, als hij zelf heeft doorstaan, maar - ik weet niet wat het geweest is.
Ook wij zullen het niet met zekerheid te weten komen, opdat ieder, die door de duivel geplaagd wordt, lichamelijk of geestelijk, des te meer recht heeft op de vertroosting van het voorbeeld van Paulus die vorst onder de door satan gekwelde heiligen.
Eerst stelt hij deze bezoeking meer verbloemd voor, onder de bewoording van een scherpe doorn in, of voor het vlees. - Verhaalt men het grondwoord met de onze, door een scherpe doorn, dan hebben wij te denken aan een eigenlijk gezegde doorn, die men in de voet treedt en, in het zinbeeldige aan zo'n bezoeking, die allersmartelijkst is, als een doorn, die men in de voet treedt de hoogste pijnen veroorzaakt. Dan het Griekse woord betekent ook, bij ongewijde schrijvers een spitse paal, waaraan de snoodste booswichten gestraft werden, wanneer deze onder in het lichaam gestoken werd, zodat zij de mond weer uitkwam. Volgens deze toespeling bedoelt de apostel een lijden, dat tegelijk allersmadelijkst en allersmartelijkst was. Door het vlees verstaat hij niet zijn lichaam, maar zoals zeer vaak, de inwonende zonde, zodat een scherpe doorn voor het vlees een allersmartelijkst kruis betekende, dat geschikt was om zijn inwonende zonde te bedwingen. Deze scherpe doorn voor zijn vlees beschrijft hij nader als een engel van de Satan, die hem met vuisten sloeg. De onzen hebben een engel van de satan, wij zouden het liever vertalen een engelsatan, dat is een engel, die de satan zelf is. Dit schijnt wel zo goed te stroken met de samenstelling van de oorspronkelijke woorden. Sommigen denken aan een boosaardig mens, die als een werktuig van de satan de apostel met vuisten sloeg of eigenlijk of oneigenlijk voor zover hij hem smaadde en lasterde, bijzonder de een of anderen van de valse leraren, waarvan Paulus gesproken had in 1 Corinthiërs 11:13, 14 Maar zou dit voor de apostel, zo'n ondraaglijk kruis geweest zijn, om daarvan zoveel ophef te maken, Vers 8, 9 De engel dan, die de satan zelf is, sloeg de apostel met vuisten. Er zijn er, die het eigenlijk nemen, zodat de satan hem, zodra zijn hoogmoed zich begon te verheffen, eigen gezegde vuistslagen toediende. Liever evenwel zouden wij de uitdrukking in een oneigenlijke zin nemen en denken aan zekere verborgen werkingen van de satan op het hart van de apostel, die wegens haar smartelijk gevoel wel bij vuistslagen vergeleken mochten worden.
De diep zondige doling van de "volmaaktbaarheid van Gods heiligen reeds hier op aarde" vloeit uit tweeërlei oppervlakkigheid voort: uit een oppervlakkige voorstelling van wat Gods heiligheid eist en uit een even oppervlakkige voorstelling van wat het verderf van de zonde werkt. Van beide heeft men een te geringe dunk. Men vormt zich van de heiligheid van God een veel te laag en van het verderf van de zonde een veel te licht denkbeeld en komt er zo ongemerkt toe, om zich in de zondaar, wiens kracht men overschat een heiligheid, van die zuiverheid men onderschat, in te beelden als metterdaad aanwezig. Kennis "van God en Zijn deugden" en dientengevolge kennis "van ons zelf en onze onheiligheid" (immers aller wege godgeleerdheid kern, vrucht en drijfkracht) is ook al wat men ten deze behoeft, om zich tegen de besmetting van deze ketterse ziekte te vrijwaren; mits deze tweevoudige kennis niet uit inbeelding en indruk opgemaakt, maar enig en zuiver getrokken wordt uit het Woord van God. Wie op indrukken afgaat en zijn inbeeldingen tot een fundament legt, is ook hier weg. Wat toch is het geval? De toestand, waarin de meesten van Gods kinderen nu hun leven op aarde doorbrengen, staat ongelooflijk laag. Er is nauwelijks enige verheffing van het geestelijke leven. Telkens stuit u op een zwakheid van wil, die u verontrust. Elk ogenblik heeft u te toornen tegen een gebondenheid in de strikken van de zonde, die u pijnlijk aandoet. De consciëntie werkt niet nauw. De polsslag van het bloed van de ziel klopt traag. Er is vernauwing in het geloven; machteloosheid tot verloochening; geen krachtige gemeenschapsoefening met de Heiland; geen ijveren voor de naam van de Heere, geen overvloeiing van de liefde; geen standhouden; geen volharding; geen levend gebed! En dat lage peil neemt u niet maar een enkel ogenblik, maar aldóór waar. In alle streken van uw eigen land is het zo en naar de berichten, die tot u komen, staat het in de meeste landen van de Christenheid even droef geschapen. Het is uw persoonlijke, diep smartelijke ervaring en elke broeder, die u weer zijn hart ontsloot, stort met u zijn ziel in dezelfde klacht uit. Ach, het schijnt de toestand, de blijvende, doorgaande toestand van de Gemeente zo geworden. Tot dat zeer lage peil van geestelijk leven is de kring, van de heiligen op aarde, tot smading voor de naam van de Heere maar al te bitterlijk gedaald. Maar nu, u heeft daar geen vrede mee; u worstelt tegen die algemene verachtering in genade, als u uw smeking voor uw God brengt; o, u dorst met heel uw ziel, of er aan het afmattende, het drukkende van die zwoele, lauwe dampkring geen ontkomen was. "Heilig ons, o God der heiligheden! " wordt met klimmende aandrang het dagelijks roepen van de gebonden geest in u. Nu kan in zo'n toestand u één van deze vier overkomen: Of dat u een heiliger persoon ontmoet dan u zelf bent. Of dat u met een kring in aanraking komt, die geestelijk iets hoger dan de uwe staat. Of dat u op het historieblad terugleeft in een tijdperk toen de Gemeente minder diep zonk. Of ook dat u zelf de genade verleend wordt van een geestelijke verwakkering. En o, in elk van die vier gevallen begaat u dan zo makelijk dezelfde fout, die de arme begaat als hij met de rijkere in aanraking komt, van namelijk te wanen, dat die rijkere nooit zorg kent, nooit de bodem van zijn geldkist ziet en dat zijn schat onmetelijk is. Als men zelf zó ongelooflijk laag staat als de meesten van ons en er komt ons op onze levensweg dan soms een godzalig man tegen, die, omdat het God almachtig zo beliefde, op merkbare manier zich ontworstelen mocht aan die algemene, metterdaad epidemische lauwheid van de geest, o, dan dunkt ons de afstand tussen die bijzonderlijk begenadigde en ons eigen hart zo onafzienbaar, zo ver reikend en bijna onmetelijk, dat we ons haast gaan inbeelden met een hemels persoon in aanraking te zijn geweest en schier tot onszelf fluisteren: "o, kwam ik ooit waar die man stond, dan was ik er! " een uiting van de ziel, die, naar u bespeurt, van de mening, dat in die man het volmaakte bereikt was, o, zo weinig verschilt. Hierin ligt dan ook de zielkundige verklaring, hoe Rome juist in de dagen van de diepste zedeloosheid tot haar verering van de heiligen gekomen is. Och, in het Zwitserse Alpenland, waar alles hoog en elke heuvel een berg is, gaat men soms een alp van zes, zeven duizend voet onopgemerkt voorbij, terwijl in deze lage landen reeds een aardheuvel van enige honderden voeten u van alle kanten als de berg wordt aangewezen. En zo nu ook gaat het, in het geestelijke toe. In het hoogland van de apostolische tijden en van de Hervorming stond reuzenalp naast reuzenalp, maar niemand vond daarin iets opmerkelijks, iets buitengewoons en ieder zag uitnemend goed, dat zelfs de reuzenalpen nog op verre na niet aan de hoge hemel reikten. Maar in de tijd, die daartussen lag, in de verzinking van de Kerk onder Rome, toen alles laag en zeer laag land geworden was, och, toen maakten de enkele edeler en beter figuren die hier en ginds hun kruis naar de wolken opstaken, zó'n imposante, zo wegslepende, zo betoverende indruk, dat men, de wolken voor de hemel aanziende, dacht dat er tussen hun kruin en de aanvang van de hemel redelijkerwijs geen afstand meer kon zijn. Aan hetzelfde gezichtsbedrog staan we natuurlijk bloot bij een vluchtig bezoek aan geestelijke kringen, die minder diep zonken dan onze omgeving. Stuit men bijvoorbeeld hier te lande telkens op "geldgierigheid"; alsmede een van de machten, waarin Gods volk gebonden ligt; en bespeurt men dat in Amerikaanse kringen die zondige band bijna gans verbroken en mild en overvloedig uitdelen gewoonte is, - dan begaat men, o zo makkelijk, de vergissing van nu de geestelijke toestand van zo'n voor ons vreemde omgeving verre te overschatten; te wanen dat met deze band op gelijke wijs ook alle andere strikken van de zonde in die kring van de uitlandse broeders zijn doorgesneden; en om de kleine afstand, die ze ons vooruit zijn, die anderen nog veel grotere afstand geheel voorbij te zien, die ook hen nog scheidt van de heiligheden van God. Op geschiedkundig terrein vaak dezelfde misleiding. Geen kwestie of èn in de dagen van de apostelen èn in de dagen van de Hervorming, waren de werkingen van de Heilige Geest krachtiger uitgaande en minder belemmerd en stond die ten gevolge de sneeuwlijn, als we ons zo mogen uitdrukken, of wil men het peil, het niveau van de heiligheid van de Gemeente, merkbaar hoger dan thans. Komen wij nu, temidden van onze beklagenswaardige matheid en dofheid, weer iets van die glinsteringen en schitteringen van het werk van de Heere op het historieblad te lezen, dan spreekt het immers vanzelf dat de ziel er ons bij opspringt in ons binnenste; dat er iets in ons watertandt, of zo'n toestand ook tot ons mocht inkeren; en dat we uit onze donkerheid in zoveel heerlijker lichtglans turende, o, zo snel denken gaan, dat er van die glans tot de glanzen van de hemel bijna geen afstand meer bestaat. En evenzo nu kon het ons tenslotte ook in onze eigen levenstoestand gebeuren, dat er, door een wondere inwerking van Gods vrijmachtige genade, bijna plotseling, zo onverhoeds, zo nauwelijks meer ingewacht toen we, toch geen gehoor vindend, reeds verstomd waren in onze gebeden; zo'n lossnijden van de banden van Satan, zo'n ontbinden van de strikken van de zonde, zo'n bewateren van de uitgedroogde hof, zo'n overgieten met verse olie, zo'n aangrijpen en wakker schudden van de ingezonken, versufte en dof geworden ziel in ons openbaar werd, dat het ons was of we opeens een salto vitale, een levenssprong uit de kuil zonder water naar de oevers van de Godsrivier hadden gedaan en ons niet anders konden inbeelden, of zaliger kon het nooit worden. Nóg verder, nóg hoger komen, nee, dat nooit! Gewoonlijk zelfs wordt men van dit viervoudig gezichtsbedrog op éénmaal het slachtoffer. Men komt in aanraking met een godzaliger dan wij zelf zijn; hoort door hem van kringen, die geestelijk hoger staan dan onze eigen omgeving; begroet daarin weer iets van die machtiger Geesteswerking uit de beste tijden van de kerk; en wordt onder en bij dat alles zelf zo sterk door de Geest bewerkt, dat het aan een opwaken uit de sluimering toekomt. Maar nu dreigt dan ook het gevaar. Het gevaar, dat men in die begenadigde wel voor zijn godzaligheid, maar niet voor zijn onzalige zonden; bij die kring wel voor haar licht, maar niet voor haar schaduwkant het ook opent; van dat glorietijdperk van de Gemeente in de Hervormingsdagen wel de glorie maar niet de schande ziet; en zo ook in zijn eigen geestelijk leven wel een verkwikking kent door nieuwe geestelijke gaven, maar tegen de nieuwe, juist daarmee gekomen verleiding niet waakt. Welnu, staat het zó, dan ligt ook hier naast de heiligste hoogtepunten de diepste afgrond en is Satan op zijn post om u nogmaals uw eigen arglistigheid als een strop om de ziel te slaan. Hij verleidt u dan, om die indrukken, die ontvangen gewaarwordingen, die ziels-ervaringen als fundament voor uw geestelijk huis te nemen, in stee van de vastigheden van Gods Woord. Hij beleest u, om nu toch toe te zien dat u niet weer terugzinkt en daarom o, zo snel vooruit, altijd voorwaarts te dringen, zo niet heden en ook morgen niet, dan toch eer van de maanden voortspoeden, van de heiligheid van God nabij! En wat nog het gevaarlijkst van alles is, hij brengt u dan de gewoonte bij, om èn voor wie anders denken, èn voor wie met u die weg op willen, telkens als u ze weer ziet, te roemen over weer groter zegen en nog machtiger genade en nog wonderbaarder overvloeiing van liefde, in zo altijd verrassender en steeds klimmende toeneming, dat de één menen zou aan de lof van de kracht van de Heere tekort te doen (en ook zelf wel wat in het oog van de broeders te dalen), als hij soms minder dan die andere roemde, dat wie eerst wel waarlijk door de Heer werd opgetrokken, nu gaandeweg zich zelf gaat opwinden en ongemerkt (dat de duivels jubelen en Gods engelen wenen) als een "heiliger dan de gemene gelovigen" hoog zweven gaat boven de schare, die verkwijnt. Hiermee nu is het ontstaan van de Volmaaktbaarheidsleer niet bij de Socinianen en Arminianen, maar bij de Geestdrijvers, in al hun wemelende schakeringen aangetoond. Pelagius schuilt bij deze ketterij altijd achter het scherm. Maar bij de Arminianen en Socinianen sluipt die doolgeest in het onbekeerde hart, of in het zichzelf voldoende denken; wordt een kwestie van koele berekening; en ontaardt, na slepend ziekteverloop, in openbare afval. Bij hen, die lust hebben aan het heilige daarentegen, nestelt dit kwaad zich in het vrome gemoedsleven; slaat over in zelfverheffing en ontaardt van meer af, eer men zich het bewust is, in gevaarlijke geestdrijverij. Gevaarlijk in tweeërlei opzicht. Ten eerste, omdat zij de vrome, onvaste, tedere zielen in haar garen lokt en ze door een vroegrijpe ontwikkeling een knak geeft aan haar geestelijke groei, die ze niet makkelijk weer te boven komen. Maar ook en zeker niet minder, doordien ze het gevoel van onvoldaanheid met de bestaande toestand, dat een ogenblik in de Gemeente geprikkeld werd, weer te kwader ure, eer het vrucht kan dragen, afstompen en onaandoenlijk maken. De gemeente weet wel dat het niet goed met haar is. Ze ziet het wel in, dat, ook afgescheiden van het meeslepen van de zondige natuur, dat ons omwille van de zonde tot onze dood toe is opgelegd, toch de levenstoon in de gemeente, de publieke opinie van de vroomheid, als u wilt, de gans ordinaire zielstoestand van Gods kinderen, een nauwere en edelere moest zijn. En soms is er dan ook in haar midden als een beroerd worden van doodsbeenderen, zich heerlijk openbarend in dieper schuld belijden, nauwer bij het Woord leven en afdoender verloochening van de wereld, van vleselijke genieting, van de geldschat en van het eigen ik. En, o, dat kon heerlijk doorwerken! Maar melden nu te kwader ure zich de "Geestdrijvers" aan en wordt "Volmaaktbaarheid" weer veler geestelijk speelgoed, och, dan sluit de gemeente weer ijlings het oog voor wat haar smaad is, trekt haar geestelijke voelhorens in en acht zich gerechtigd, om, onder rechtmatige toorn over dit onheilig "Perfectisme", weer vrede met haar doodse staat te sluiten en elk "sta of uit de doden, o gemeente van de Heere! " te verdenken als de onheilige deun van de vogelaar, die haar verstrikken wil. Het is nu eenmaal niet anders en het is goed dat het zo is: de gemeente wil van geen heiliger levenstoon horen, tenzij u haar "door de diepten de weg naar boven" kunt wijzen. Alle zelfverheffing van Gods heiligen keurt ze met een krachtig instinkt, dat uitnemend gezond is, als de heiligen schadelijk af. Niet daarom om die vrijbrief tot voortsluimeren in ongeestelijke dorheid te bezegelen, maar om juist aan wie inzonk, die vrijbrief uit de hand te slaan, moet dit drijven van de Volmaaktbaarheidsleer worden tegengestaan. Tegengestaan niet flauw, niet ten halve, maar energiek en geheel. Zo mogelijk tegengestaan van dit uit het onverwinbare standpunt, dat onze vaderen steeds innamen, te weten de belijdenis dat zelfs de beste daden van de allerheiligsten in dit leven onvolkomen zijn en met zonde bevlekt.