Jozua 16:1-4
Hoewel Jozef een van de jongere zonen van Jakob was, was hij toch de oudste van de twee zonen, die Rachel, zijn meest beminde huisvrouw hem gebaard had, en hij zelf was zijn meest geliefde zoon, en was het grootste sieraad en de steun van zijn familie, bewaarde haar van om te komen in een tijd van hongersnood, hij is de herder en steen Israëls geweest, en daarom werden zijn nakomelingen zeer begunstigd door het lot. Hun erfdeel lag in het hart des lands. Het strekte zich uit van de Jordaan in het oosten, vers 1. naar de Middellandse Zee in het westen, zodat het van zij tot zij de gehele breedte van Kanaän besloeg. Ongetwijfeld heeft ook de vruchtbaarheid van de grond beantwoord aan de zegen beide van Jakob en van Mozes, Genesis 49:35, 26, Deuteronomium 33:13.
De erfdelen van Efraïm en Manasse zijn niet zo in bijzonderheden beschreven als die van de andere stammen, wij hebben slechts de grenzen, die ze omsloten, niet de steden, die er in gevonden worden, zoals wij die van Juda gehad hebben, en later die van de andere stammen zullen krijgen. Hier kan geen reden voor worden opgegeven, tenzij wij mogen veronderstellen dat het aan Jozua die zelf uit de kinderen van Jozef was, overgelaten werd om de onderscheidene steden, die in hun lot lagen, naar goeddunken onder hen te verdelen, omdat hij de namen hunner steden niet overlegde in de groten raad hunner oversten, die zitting hield over deze zaak, en zo kwam het dat zij niet met de overige in de boeken werden geregistreerd.