Genesis 26:12-25
Hier hebben wij:
I. De tekenen van Gods welwillendheid jegens Izaak, Hij zegende hem en maakte hem voorspoedig, zodat alles wat hij deed gelukte.
1. Zijn koren vermeerderde zich op verwonderlijke wijze, vers 12. Hij had geen eigen land, maar huurde land van de Filistijnen en bezaaide het, en (dit zij opgemerkt ter bemoediging van arme pachters, die het land van anderen pachten en bebouwen, en vlijtig en eerlijk zijn) God zegende hem met een grote opbrengst. Hij oogstte hondervoud, en er schijnt nadruk gelegd te worden op de tijd, het was in dat jaar, toen er honger was in het land, terwijl anderen nauwelijks iets oogstten, had hij een rijke oogst. Zie Jesaja 65:13. "Mijn knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren, " Psalm 37:19, "in de dagen van de honger zullen zij verzadigd worden."
2. Ook zijn vee vermeerderde, vers 14, en
3. Hij had een groot gezin van dienstknechten die hij gebruikte voor het werk, en die hij onderhield. "Waar het goed vermenigvuldigt daar vermenigvuldigen ook die het eten," Prediker 5:10.
II. De tekenen van de kwaadwilligheid der Filistijnen jegens hem, zij benijdden hem, vers 14. Dit is een voorbeeld:
1. Van de ijdelheid dezer wereld, hoe meer de mensen van de wereld hebben, hoe meer zij er om benijd worden, en blootgesteld aan afkeuring en leed. "Wie zal voor nijdigheid bestaan?" Spreuken 27:4. Zie Prediker 4:4.
2. Van de verdorvenheid der natuur, want het is voorwaar wel een slecht beginsel, dat de mensen doet treuren om het goed van anderen, alsof het noodwendig slecht moet gaan met mij, omdat het goed gaat met mijn naaste. Zij hadden reeds hun kwaadwilligheid getoond jegens zijn gezin, door de putten te stoppen, die zijn vader had gegraven, vers 15. Dit was uit nijdigheid gedaan, omdat zij zelf kudden hadden te drenken bij deze waterputten, wilden zij ze niet openlaten voor het gebruik door anderen, zó onzinnig en onredelijk is boosaardigheid. En het werd trouwelooslijk gedaan, tegen het verbond van vriendschap, dat zij met Abraham hadden gesloten, Hoofdstuk 21:31, 32. Kwaadwilligheid stoort zich niet aan een verbond. Zij verdreven hem uit hun land, vers 16, 17. De koning van Gerar begon met een achterdochtig oog naar hem te zien. Izaaks huis was als een hof, zijn rijkdom en zijn dienstpersoneel stelden die van Abimelech in de schaduw, daarom moet hij verder weggaan, zij waren zijn nabuurschap moede, omdat zij zagen dat de Heere hem zegende, terwijl zij juist daarom zijn blijven onder hen hadden moeten begeren en verzoeken, opdat ook zij om zijnentwil gezegend zouden worden. Izaak staat niet op zijn recht wegens het pachtcontract, dat hij met hen gesloten had, en wegens zijn bezitten en verbeteren van het land, ook wil hij geen strijd met hen beginnen, of zijn recht door kracht van wapenen handhaven, hoewel hij zeer groot en machtig was geworden, maar vreedzaam vertrekt hij van de koninklijke stad en gaat naar een deel van het land, dat misschien minder vruchtbaar was. Wij behoren zelfverloochening te beoefenen zowel ten opzichte van ons recht als van onze gerieflijkheid, veeleer dan te twisten. Een wijs en goed man zal zich liever terugtrekken in eenzaamheid, zoals Izaak hier in een dal, dan op hoge en open plaatsen neer te zitten en het mikpunt te zijn van nijd en kwaadwilligheid.
III. Hoe hij toch gestadig met zijn werk voortging.
1. Hij bleef zich toeleggen op akkerbouw, en was naarstig in het zoeken naar waterputten om ze geschikt te maken voor zijn gebruik, vers 18 en verv. Hoewel hij zeer rijk was geworden was hij nog even zorgzaam als ooit tevoren voor de toestand van zijn kudden van schapen en runderen. Als mensen groot en machtig worden, dan moeten zij er zich wèl voor wachten om zich te groot en te voornaam te achten voor hun zaken en hun werk. Hoewel hij verdreven was van de gerieflijkheden, die hij tot nu toe gehad heeft, en zijn akkerbouw niet met hetzelfde gemak en voordeel kon beoefenen als tevoren, legde hij er zich toch op toe om met het land, waarheen hij gekomen was, zoveel mogelijk zijn voordeel te doen, hetgeen de plicht is van ieder verstandig man. Hij opende de waterputten, die zijn vader had gegraven en uit achting voor hem noemde hij ze bij de namen, die hij er aan gegeven had. In ons zoeken naar de waarheid, deze fontein van levend water, is het goed om gebruik te maken van de ontdekkingen van vroegere eeuwen, die door het bederf van latere tijden omfloersd zijn geworden. Vraag naar de oude weg, naar de waterputten, die onze vaderen hebben gegraven, en die door de tegenstanders der waarheid gestopt werden. "Vraag toch naar het vorige geslacht en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen. zullen die u niet leren?" Job 8:8, 10. Zijn knechten groeven nieuwe putten, vers 19. Hoewel wij van het licht van vorige tijden gebruik moeten maken, volgt hier niet uit dat wij daar nu bij moeten blijven rusten, en geen vorderingen moeten maken. Wij moeten nog bouwen op hun fundament, "velen zullen het naspeuren en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden," Daniël 12:4.
Bij het graven van zijn putten ontmoette hij veel tegenstand, vers 20, 21. Zij, die de fonteinen der waarheid openen, moeten tegenspraak verwachten. De eerste twee putten, die zij groeven, werden Esek en Sitna, Twist en Haat, genoemd. Zie hier:
Ten eerste. Wat de aard is van wereldse zaken, zij veroorzaken twist en haat.
Ten tweede. Wat dikwijls het lot is, zelfs van de rustigste vreedzaamste mensen in deze wereld, zij die het vermijden te twisten, kunnen het niet vermijden, dat er met hen getwist wordt. Psalm 120:7. In deze zin is Jeremia "een man van twist en krakeel" geweest, Jeremia 15:10, en ook Christus zelf, hoewel Hij de Vredevorst was.
Ten derde. Welk een zegen het is om overvloed van water te hebben, zonder dat men er om behoeft te twisten. Hoe meer algemeen deze zegen is, hoe meer dankbaar wij er voor moeten wezen.
Eindelijk vertrok hij naar een rustige plaats, steeds vasthoudende aan zijn vreedzaam beginsel, om liever te vluchten dan te vechten, niet willende verblijven onder hen, die de vrede haten. Psalm 120:6. Hij gaf aan rust de voorkeur boven de overwinning. Hij groef een andere put, en zij twistten over die niet vers 22. Zij, die de vrede najagen, zullen vroeg of laat vrede vinden, zij die er zich op toeleggen om rustig te zijn, zullen slechts zelden hun doel niet bereiken. Hoe verschilde Izaak van zijn broeder Ismaël, die, terecht of ten onrechte, wilde houden wat hij had tegenover de gehele wereld. Hoofdstuk 16:12. En van wie van deze zouden wij wensen de navolgers te zijn? Deze put noemden zij Rehoboth, Verruimingen, plaats genoeg. In de twee vorige putten kunnen wij zien wat de aarde is, "engheid en strijd." De mensen kunnen niet toenemen vanwege het gedrang met hun naburen, deze put toont ons wat de hemel is, Verruiming en vrede, plaats genoeg, want er zijn vele woningen.
2. Hij bleef standvastig in zijn Godsdienst en oefende gemeenschap met God. God is hem genadig verschenen, vers 24. Toen de Filistijnen hem uitwierpen, hem noodzaakten om van plaats tot plaats te gaan, en hem voortdurend kwelling en overlast aandeden, heeft God hem bezocht en hem nieuwe verzekeringen gegeven van Zijn gunst. Als de mensen vals en onvriendelijk voor ons zijn, dan is het onze troost, dat God getrouw en genadig is, en dat het Zijn tijd is om zich aldus te betonen, als wij het meest teleurgesteld zijn in onze verwachtingen van de mensen. Toen Izaak te Ber-seba kwam, vers 23, was hij waarschijnlijk ontroerd bij de gedachte aan zijn onbestendige toestand, daar men hem niet lang op een plaats liet blijven, en toen deze gedachten zich in hem vermenigvuldigden, en hij juist in die nacht vermoeid en onrustig te Ber-seba was gekomen, bracht God hem Zijn vertroostingen tot verkwikking en verlustiging van zijn ziel. Waarschijnlijk was hij bevreesd dat de Filistijnen hem ook daar niet zouden laten blijven, Vrees niet, zegt God tot hem, want Ik ben met u en zal u zegenen. Diegenen kunnen wel getroost vertrekken, die zeker zijn van Gods tegenwoordigheid met hen, waar zij ook heengaan. Hij bleef niet in gebreke in zijn plicht jegens God, want aldaar bouwde hij een altaar en riep de naam des Heeren aan, vers 25. Wij moeten overal waar wij heengaan onze Godsdienst meenemen. Waarschijnlijk hebben Izaks altaren en zijn Godsverering ergernis gegeven aan de Filistijnen, en hen geprikkeld om hem nog meer overlast aan te doen, maar toch bleef hij zijn plicht doen, aan wèlke kwaadwilligheid hij er ook om werd blootgesteld. De vertroostingen en bemoedigingen, die God ons geeft in Zijn woord, behoren ons op te wekken tot oefeningen der Godsvrucht, waardoor God geëerd wordt en onze gemeenschap met de hemel in stand wordt gehouden.