Psalm 120:5-7
Hier klaagt de psalmist over de slechte nabuurschap waar hij heen was gedreven, en sommigen passen dit toe op de twee voorafgaande verzen, wat zal iemand er bij winnen om onder zulke boosaardige, bedrieglijke lieden te wonen? Niets dan scherpe pijlen en gloeiende jeneverkolen, al het kwaad van een boosaardige en bedrieglijke tong, Psalm 57:5. Wee mij, zegt David, dat ik genoodzaakt ben onder de zodanigen te wonen, dat ik een vreemdeling ben in Mesech en Kedar. Niet dat David in het land van Mesech of Kedar woonde, we vinden hem nooit zo ver weg van zijn eigen land, maar hij woonde onder ruwe en barbaarse lieden, zoals de inwoners van Mesech en Kedar waren, zoals wij, als wij een slechte nabuurschap zouden willen beschrijven, zeggen zouden: Wij wonen onder Turken en heidenen, dit deed hem uitroepen: Wee mij!
1. Hij was genoodzaakt op een afstand te wonen van de inzettingen Gods. Terwijl hij in ballingschap was beschouwde hij zich als een vreemdeling en bijwoner, hij gevoelde zich nooit tehuis dan wanneer hij dicht bij Gods altaren was, en hij roept uit: "Wee mij, dat mijn vreemdelingschap aanhoudt, dat ik niet tehuis kan komen tot mijn plaats van de ruste, maar nog op een afstand word gehouden!" Aldus wordt het door sommigen gelezen. Een Godvruchtige kan zich niet tehuis gevoelen, zolang hij van Gods inzettingen verbannen is, deze niet onder zijn bereik heeft. En het is voor allen, die God liefhebben, een grote smart om verstoken te zijn van de middelen van de genade en van gemeenschapsoefening met God. Als zij zich in zo'n toestand bevinden, dan kunnen zij niet anders dan met David uitroepen: Wee mij!
2. Hij was genoodzaakt onder slechte mensen te wonen, die in menig opzicht lastig, ja kwellend voor hem waren. Hij woonde in de tenten Kedars, waar de schaapherders waarschijnlijk de kwade naam hadden van twistgierig te zijn, zoals de herders van Abraham en Lot. Het is een zware, smartelijke last voor een Godvruchtige om in het gezelschap gedrongen en gehouden te worden van hen, van wie hij hoopt voor altijd gescheiden te zullen zijn, zoals Lot in Sodom, 2 Petrus 2:8. Lang te wonen onder de zodanigen is in waarheid smartelijk, want zij zijn als doornen, kwellend en krabbend en scheurend, en zij zullen de oude vijandschap tonen, die er is in het zaad van de slang tegen het zaad van de vrouw. Zij, onder wie David woonde, waren de zodanigen, die niet slechts hem haatten, maar die vrede haatten, en er de oorlog aan verklaarden, en die op hun krijgswapenen konden schrijven niet: "Sic sequimur pacem, Aldus beogen wij de vrede," maar "Sic persequimur Aldus vervolgen wij." Misschien was het hof van Saul het Mesech en Kedar, waarin David woonde, en was Saul de man die hij bedoelde, die de vrede haatte, die David gaarne wilde verplichten, maar het niet kon, omdat Saul, hoe meer dienst hij hem bewees, des te meer tegen hem verbitterd werd.
Zie hier:
a. Het karakter van een zeer goed man in David, die, hoewel hij een krijgsman was, in waarheid kon zeggen: ik ben vreedzaam, ik ben voor de vrede, want hij leefde vreedzaam met alle mensen, en in onvrede met niemand. Ik vrede, zo is het in het oorspronkelijke, "Ik heb de vrede lief, en jaag de vrede na, mijn neiging is tot vrede, en ik schep er behagen in. Ik bid om vrede, en streef naar vrede, wil, in het redelijke, alles doen, mij aan alles onderwerpen, van alles scheiden, om maar vrede te hebben. Ik ben voor vrede, en heb het doen blijken, dat ik dit ben." De wijsheid, die van boven is, is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam." b. Het karakter van de slechtste mensen in Davids vijanden, die twist zochten met degenen die geheel vreedzaam waren. "Als ik spreek zijn zij voor de oorlog" en zoveel sterker voor de oorlog, hoe meer zij mij gezind zien voor de vrede." Hij sprak met alle mogelijke eerbied en vriendelijkheid, stelde schikkingen voor, sprak met verstand, met liefde, maar zij wilden hem niet eens geduldig aanhoren, maar riepen terstond: "Te wapen! te wapen!" zo woest en onverzoenlijk waren zij, en zo er op uit om kwaad te doen. Zodanigen waren Christus' vijanden, om Zijn liefde stonden zij Hem tegen, en voor Zijn goede woorden en goede werken stenigden zij Hem. Als wij zulke vijanden ontmoeten, dan moeten wij het niet vreemd vinden, en er de vrede niet minder om liefhebben, dat wij hem tevergeefs zoeken. Wordt van het kwade niet overwonnen, neen, zelfs niet van zo'n kwaad, maar streef er nog naar om het kwade te overwinnen door het goede.