Genesis 21:22-32
Wij hebben hier een bericht van het verbond, dat gesloten werd tussen Abimelech en Abraham, waarin de vervulling blijkt van de belofte, Hoofdstuk 12:2, dat God zijn naam groot zal maken. Zijn vriendschap wordt gezocht en in grote mate gewaardeerd, hoewel hij een vreemdeling is, en slechts met verlof van de Kanaänieten en Ferizieten onder hen verblijft.
I. Het verbond wordt voorgesteld door Abimelech en Pichol, zijn eerste staatsminister en krijgsoverste.
1. De aanleiding er toe is Gods gunst jegens Abraham, vers 22. God is met u in alles wat gij doet, wij kunnen niet anders dan dit opmerken. In Zijn voorzienigheid toont God soms aan Zijn volk zulke tekenen ten goede, dat hun naburen er wel op letten moeten Psalm 86:17. Het gaat zó goed met hun zaken en zij hebben zó veel voorspoed op hun ondernemingen, dat aan allen, die hen omringen, de bekentenis wordt ontwrongen, dat God met hen is. Het is goed om in de gunst te zijn bij hen, aan wie God gunst betoont, invloed te hebben bij hen, die invloed hebben in de hemel, Zacheria 8:23. "Wij zullen met u gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is." Wij handelen in ons belang door gemeenschap te zoeken met hen, die gemeenschap hebben met God, 1 Johannes 3.
2. De algemene strekking er van was, dat er voortdurend vriendschap zou zijn tussen de twee geslachten, die om geen enkele reden verbroken mocht worden. Dit vriendschapsverbond moet bekrachtigd worden door een eed, waardoor een beroep gedaan werd op de ware God als getuige van hun oprechtheid en als wreker, zo een van beide er ontrouw aan werd, vers 23. Abimelech wenst, dat dit verbond als bij erfenis zal overgaan op zijn nakomelingen, en zich zal uitstrekken tot zijn volk. Hij wil dat zijn zoon en zijn neef, en ook zijn land er het voordeel van zullen genieten. Goede mensen moeten een verbond aangaan en gemeenschap hebben met de gunstgenoten van de hemel, niet slechts voor henzelf, maar ook voor de hunnen. Hij herinnert Abraham aan de vriendschappelijke behandeling, die hij van hen heeft ondervonden, naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb. Gelijk zij, die vriendelijkheid ontvangen hebben haar behoren te vergelden, zo kunnen zij, die vriendelijkheid betoond hebben, vriendelijkheid verwachten.
II. Abraham stemt er in toe met een bijzondere bepaling omtrent een waterput. Abraham, van zijn kant, was bereid:
1. Dit verbond met Abimelech aan te gaan daar hij hem als een nauwgezet man van eer heeft leren kennen, die de vreze Gods voor ogen had, vers 24, Ik zal zweren. De Godsdienst maakt de mensen niet misnoegd of afkerig van de omgang met anderen. Ik ben er zeker van, dat dit niet moet. Onder het voorgeven slecht gezelschap te mijden, moeten wij niet zuur wezen voor alle gezelschap en iedereen wantrouwen. Een eerlijk gemoed aarzelt niet om plechtige verzekeringen te geven, als Abraham zegt, dat hij aan Abimelech trouw zal wezen, dan vreest hij niet daar een eed op te doen. Een eed is ter bevestiging.
2. Met wijsheid regelt hij de zaak omtrent een put, waarover Abimelechs knechten met Abrahams knechten getwist hadden. Waterputten schijnen in dat land kostbare zaken geweest te zijn, wij moeten er God voor danken, dat zij in ons land niet zo schaars zijn. Abraham heeft er met zachtmoedigheid tot Abimelech over gesproken, vers 25. Indien onze broeder tegen ons zondigt, dan moeten wij hem met de zachtmoedigheid der wijsheid zijn fout onder ogen brengen, opdat de zaak in der minne geschikt en tot een goed einde gebracht kan worden, Mattheus 18:15. Hij berustte in Abimelechs verontschuldiging hierover, vers 26. Ik heb niet geweten wie dit stuk gedaan heeft. Velen worden verdacht van onrechtvaardigheid en onvriendelijkheid, die daar volkomen onschuldig aan zijn, de fouten van de dienstknechten moeten niet toegerekend worden aan hun meesters, tenzij deze er niet onkundig van zijn en ze goedkeuren, en van een eerlijk man kan men niet meer verwachten dan dat hij bereid is recht te doen, zodra hij weet dat hij onrecht gedaan heeft. Nu zorgde hij er voor, dat zijn recht op die waterput voortaan niet betwist kan worden, ten einde alle twist of onenigheid er over te voorkomen vers 30. Het is recht, zowel als verstandig om aldus te handelen "in perpetuam rei memoriam" opdat de zaak altijd in gedachtenis blijve.
3. Hij gaf aan Abimelech een zeer schoon geschenk, vers 27. Niet met iets zeldzaams of fraais vereerde hij hem, maar iets dat waarde had en nuttig was, schapen en runderen, als dank voor Abimelechs vriendelijkheid voor hem, en als teken van hartelijke vriendschap tussen hen. Wederzijdse vriendelijke diensten versterken de band van de liefde, hetgeen het mijne was is nu van mijn vriend.
4. Hij bekrachtigde het verbond door een eed, en registreerde het door aan de plaats een nieuwe naam te geven, vers 31, Ber-seba de "waterput van de eed," ter herinnering aan het verbond, dat zij elkaar zwoeren, opdat zij er altijd aan zouden gedenken, of, de "waterput van zeven," ter herinnering aan de zeven ooilammeren aan Abimelech geschonken als bevestiging van Abrahams recht op die put. Gesloten overeenkomsten moeten herdacht worden, opdat wij ze getrouw nakomen en ons woord niet breken door vergeten of vergissen.