Genesis 18:16-22
De boden van de hemel hadden nu een deel van hun zaken afgedaan, die bestonden uit een boodschap van genade aan Abraham en Sarah, en die het eerst door hen gebracht werd, maar nu hebben zij werk van een andere aard te doen: Sodom moet verwoest worden, en zij moeten het verwoesten, Hoofdstuk 19:13. Gelijk er bij de Heere goedertierenheid is, zo is Hij ook de God, wiens de wrake is. Ingevolge van hun opdracht vinden wij hier:
1. Dat zij naar Sodom toe zagen, vers 16. Zij stelden er hun aangezicht tegen in toorn, zoals van God gezegd werd, dat Hij op het leger der Egyptenaren zag, Exodus 14:24. Hoewel God gedurende lange tijd de ogen scheen te sluiten voor de zondaren, waaruit zij hebben afgeleid dat de Heere niet ziet, zal Hij toch, als de dag der wrake gekomen is, naar hen zien.
2. Dat zij gingen naar Sodom, vers 22, en dienovereenkomstig vinden wij twee van hen te Sodom, Hoofdstuk 19:1. Of de derde de Heere was, voor wie Abraham stond, en tot wie hij toetrad, vers 23, zoals de meesten denken, of dat de derde hen verliet voor zij te Sodom kwamen, en de Heere, voor wie Abraham stond, de Shechina was, of die verschijning van de Goddelijke heerlijkheid, die Abraham tevoren gezien had en waarmee hij had gesproken, is onzeker. Maar wij hebben hier:
a. De eer die Abraham zijn gasten bewees, hij ging met hen, om hen te begeleiden, als iemand die niet graag scheidt van zo'n goed gezelschap en hun de meest mogelijke eer wenst te bewijzen. Dit is een daad van wellevendheid, die zeer gepast is om aan onze vrienden te betonen, maar zij moet gedaan worden volgens de aanwijzing van de apostel, "gelijk het Gode waardig is," 3 Johannes 6.
b. De eer, die zij hem deden, want die God eren, zal Hij eren. God deelde aan Abraham Zijn voornemen mee om Sodom te verderven, en dat niet alleen, maar Hij trad er met hem over in gesprek. Daar Hij hem inniger nog dan tevoren in Zijn verbond had opgenomen, Hoofdstuk 17, laat Hij hem hier in nauwer, inniger gemeenschap met zich toe dan ooit tevoren, als de man Zijns raads.
Merk hier op:
I. Gods vriendelijke gedachten omtrent Abraham, vers 17-19, waar wij Zijn besluit hebben om aan Abraham Zijn voornemen kenbaar te maken betreffende Sodom, met de redenen ervan. Indien Abraham hun geen uitgeleide gedaan had dan zou hij misschien niet aldus bevoorrecht zijn geworden, maar die met wijzen wandelt zal wijs worden, Spreuken 13:20. Zie hoe het Gode behaagt met zichzelf te redeneren: Zal Ik voor Abraham verbergen (of zoals sommigen het lezen: Verberg Ik voor Abraham) wat Ik doe? Kan Ik Mij tot zo iets gaan begeven, en het aan Abraham niet zeggen?" Zo drukt God zich uit in Zijn raadsbesluiten, naar de wijze van de mensen met overleg. Maar waarom moet Abraham in die kabinetsraad wezen? De Joden geven als hun mening te kennen, dat God, wijl Hij aan Abraham en zijn zaad het land Kanaän had geschonken, deze steden, die een deel uitmaakten van het land, niet wilde verderven zonder zijn kennis en toestemming. Maar God geeft hier twee andere redenen op.
1. Abraham moet het weten, omdat hij een vriend en gunstgenoot is, voor wie Hij zeer bijzondere goedheid heeft en grote dingen heeft weggelegd. Hij zal tot een groot volk worden, en dat niet alleen, maar in de Messias, die uit Zijn lenden zal voortkomen zullen alle volkeren der aarde in hem gezegend worden. "De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen," Psalm 25:14, Spreuken 3:32. Zij, die door het geloof een leven leiden van gemeenschap met God, moeten wel meer van Zijn wil en bedoelingen weten dan andere mensen, hoewel niet met een profetische kennis, maar met een wijze, praktische kennis. Zij hebben een beter inzicht in het tegenwoordige, en voorzien beter, wat er geschieden zal, Hosea 14:10, Psalm 107:43, zoveel tenminste als genoeg is voor hun gedrag en hun vertroosting.
2. Abraham moet het weten, want hij zal zijn huisgezin onderwijzen, vers 19. Ik heb Abraham gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen.
Beschouw dit alles als een schitterende zijde van Abrahams karakter en van zijn voorbeeld. Hij bad niet slechts met de leden van zijn gezin, maar hij onderwees hen als een man van kennis, ja hij beval hun als een man van gezag, als profeet en koning, zowel als priester in zijn huis. Daar God een verbond had gemaakt met hem en zijn zaad, en zijn huisgezin dientengevolge besneden was, is hij zeer zorgzaam geweest om hen goed te onderwijzen en te regeren. Zij, die de zegeningen van een gezin willen smaken, moeten nauwgezet de gezinsplichten vervullen. Indien onze kinderen de kinderen des Heeren zijn, dan moeten zij voor Hem worden opgevoed, indien zij Zijn livrei dragen, dan moeten zij opgeleid worden tot Zijn werk. Abraham heeft niet slechts zorg gedragen voor zijn kinderen, maar voor zijn gezin, zijn dienstknechten waren onderwezenen. Hoofden van gezinnen behoren acht te geven op de zeden van allen, die onder hun dak zijn. De geringste dienstknechten hebben kostelijke zielen, die verzorgd en gevoed moeten worden. Abraham heeft er zich op toegelegd om praktische Godsdienst in zijn huis te bevorderen. Hij heeft hun hoofd niet gevuld met diepzinnige bespiegelingen of twistige samensprekingen, maar leerde hun de weg des Heeren te houden, en gerechtigheid en gerichte te doen dat is ernstig en vroom te zijn in de aanbidding van God, eerlijk te zijn in hun handelingen met alle mensen. Hierin heeft Abraham het oog gehad op het nageslacht, en was zorgde dat niet alleen zijn huisgezin met hem, maar ook zijn huis na hem de weg des Heeren zou houden, dat de Godsdienst zou bloeien in zijn geslacht, als hij reeds in zijn graf zou zijn. Dit doende vervulde hij de voorwaarden van de beloften, die God hem had gedaan. Alleen diegenen kunnen het voordeel van de beloften verwachten, die nauwgezet hun plicht doen.
3. Wij kunnen dit beschouwen als de reden, waarom God hem zijn voornemen omtrent Sodom bekendmaakte, namelijk dat hij zijn kennis mededeelde aan anderen en haar gebruikte ten nutte van hen, die onder zijn hoede stonden. Wie heeft die zal gegeven worden Mattheus 13:12, 25:29. Zij, die van hun weten een goed gebruik maken, zullen meer weten.
II. Gods vriendelijk gesprek met Abraham, waarin Hij hem Zijn voornemen omtrent Sodom bekend heeft gemaakt, en waarin Hij hem vrijheid van verzoek toelaat omtrent deze zaak.
1. Hij spreekt hem van het overtuigend blijk van de zonde van Sodom, vers 20. Het geroep van Sodom en Gomorra is groot. Sommige zonden en de zonden van sommige zondaars roepen luid tot de hemel om wraak. De ongerechtigheid van Sodom was een schreeuwende ongerechtigheid, dat is: zij was zó tergend, dat zij God drong om te straffen.
2. Van het onderzoek, dat Hij hieromtrent nog wilde instellen, vers 21. Ik zal nu afgaan en bezien. Niet alsof er iets was, waarover God in twijfel is of in het duister, maar het behaagt Hem zich aldus naar de wijze der mensen uit te drukken. a. Om het onbetwistbaar-rechtmatige aan te tonen van al Zijn gerechtelijke handelingen. De mensen zijn geneigd te zeggen: De weg des Heeren is niet recht, maar laat hen weten dat Zijn oordelen voortkomen uit Zijn eeuwige raad, en nooit roekeloze of plotseling opgekomen besluiten zijn. Nooit straft Hij op losse geruchten, of op mededelingen van anderen, maar naar Zijn eigen stellig en onfeilbaar weten.
b. Om een voorbeeld te geven aan overheidspersonen, aan hen die met gezag zijn bekleed, om met de uiterste zorg en nauwkeurigheid een onderzoek in te stellen naar het voor en tegen van een zaak, eer zij er een oordeel over uitspreken.
c. Wellicht wordt van dit raadsbesluit hier gesproken als nog niet vastgesteld, ten einde Abraham aan te moedigen om nog voorbede voor hen te doen. Aldus heeft God gezien of er geen voorbidder was, Jesaja 59:16.