Genesis 18:23-33
Gemeenschap met God wordt onderhouden door het woord en het gebed. In het woord spreekt God tot ons, in het gebed spreken wij tot Hem. God had aan Abraham Zijn voornemens gezegd omtrent Sodom, daaruit neemt Abraham nu aanleiding om ten behoeve van Sodom tot God te spreken. Gods woord zal ons goed doen, als het ons stof geeft tot gebed, en er ons toe opwekt. Als God tot ons gesproken heeft, dan moeten wij overwegen wat wij er over tot Hem hebben te zeggen.
Merk op:
I. Het plechtige van Abrahams toespraak tot God bij deze gelegenheid, vers 23. Abraham trad toe. Die uitdrukking geeft te kennen:
1. Een heilige bezorgdheid. Hij verpandde zijn hart om tot God te genaken, Jeremia 30:21, "Zal Sodom verwoest worden, zonder dat ik er een goed woord voor doe?"
2. Een heilig vertrouwen. Hij ging toe met verzekerdheid des geloofs, hij naderde "als een vorst," Job 31:37. Als wij ons tot bidden begeven, dan moeten wij gedenken, dat wij tot God naderen, opdat wij vervuld zullen zijn van eerbied voor Hem, Leviticus 10:3.
II. De algemene strekking van zijn gebed. Het is het eerste plechtige gebed, dat wij in de Bijbel vermeld vinden, en het is een gebed om Sodom te sparen. Abraham heeft de goddeloosheid van Sodom ongetwijfeld ten zeerste verafschuwd, hij zou niet, zoals Lot, onder hen hebben willen wonen, al zouden zij hem ook de beste en schoonste bezitting in hun land hebben willen geven, en toch heeft hij vurig en dringend voor hen gebeden. Wij moeten de zonde haten, maar medelijden hebben met de zondaren, en voor hen bidden. God heeft geen lust in hun dood, en wij moeten die rampzalige dag niet begeren, maar hem veeleer afbidden.
1. Hij begint met een gebed, dat de rechtvaardigen gespaard mochten worden, niet mee verwikkeld zullen zijn in de algemene ramp, inzonderheid met het oog op de rechtvaardige Lot, wiens onedel gedrag tegenover hem hij reeds lang had vergeven en vergeten, getuige zijn vriendschappelijke ijver om hem door zijn zwaard te verlossen, en nu door zijn gebed.
2. Hij maakt hier verder nog gebruik van voor een gebed, dat allen gespaard mochten worden om wille van de rechtvaardigen onder hen, terwijl God zelf hem hierin steunt, en het hem door Zijn antwoord op zijn eerste bede als het ware, in de mond legt, vers 26. Wij moeten bidden, niet alleen voor onszelf maar ook voor anderen, want wij zijn leden van hetzelfde lichaam, van hetzelfde lichaam van het mensdom tenminste. Wij zijn allen broeders.
III. De bijzondere genadegaven, die uitblinken in dit gebed.
1. Groot geloof,
en het is het gebed van het geloof, dat een overwinnend gebed is. Zijn geloof pleit bij God, regelt en ordent de zaak, vult zijn mond met argumenten. Zijn geloof werkt inzonderheid met de rechtvaardigheid Gods, daarop steunt en betrouwt hij: a. Dat God de rechtvaardigen niet met de goddelozen zal ombrengen, vers 23. Neen, dat zij verre van U, vers 25. Nooit moeten wij een gedachte koesteren, die aan de eer van Gods rechtvaardigheid tekort doet. Zie Romeinen 3:5, 6. In deze wereld zijn de rechtvaardigen onder de goddelozen gemengd. Onder de besten zijn gewoonlijk sommige slechten, en onder de slechtsten sommige goeden. Zelfs in Sodom is nog een Lot. Hoewel de rechtvaardigen onder de goddelozen zijn, zal de rechtvaardige God toch voorzeker de rechtvaardigen niet met de goddelozen verderven. Hoewel zij in deze wereld soms in de algemene rampen delen, zal toch op de grote dag een onderscheid worden gemaakt.
b. Dat de rechtvaardigen niet gelijk de goddelozen zullen zijn, vers 25. Hoewel zij met hen kunnen lijden, zullen zij toch niet evenals zij lijden. Algemene rampen zijn voor de rechtvaardigen heel wat anders dan voor de goddelozen, Jesaja 27:7.
c. Dat de Rechter der ganse aarde recht zal doen, ongetwijfeld zal Hij dit, want Hij is de Rechter der ganse aarde, dit is het argument van de apostel, Romeinen 3:5, 6. God is de Rechter der ganse aarde, Hij neemt kennis van alles, en spreekt over allen Zijn oordeel uit. De almachtige God heeft nooit aan een Zijner schepselen onrecht gedaan, en nooit zal Hij hun onrecht doen, hetzij door hun te onthouden wat recht is, of door meer dan recht is van hen te eisen, Job 34:10, 11.
2. Grote ootmoed.
Een diepe bewustheid van zijn eigen onwaardigheid, vers 27. Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben, en wederom, vers 31. Hij spreekt als iemand die verbaasd is over zijn eigen stoutmoedigheid en over de vrijheid, die God hem genadiglijk veroorlooft, in aanmerking genomen Gods grootheid, Hij is de Heere, en zijn eigen geringheid- hij is slechts stof en as. De grootste mannen, de aanzienlijkste en de verdienstelijkste zijn slechts stof en as, gering en laag voor God, verachtelijk, broos en stervend. Het betaamt ons om, als wij tot God naderen, de ontzaglijk grote afstand te erkennen, die er is tussen ons en God. Hij is de Heere der heerlijkheid, wij zijn aardwormen. Onze toegang tot de troon der genade en de vrijmoedigheid in het spreken, die ons vergund wordt, bieden ons wezenlijke redenen tot ootmoedige verwondering, 2 Samuël 7:18. Wij behoren dan ook vervuld te zijn van vrees voor Gods misnoegen. Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreek, vers 30, en wederom in vers 32. Het dringend aanhouden van de gelovigen als zij tot God spreken in het gebed, is van zulk een aard dat, indien zij met mensen, zoals zijzelf zijn, te doen hadden, zij wel moesten vrezen hen te vertoornen. Maar Hij, met wie wij te doen hebben, is God en geen mens, en hoezeer Hij dit mocht schijnen, is Hij toch niet wezenlijk toornig op het gebed van Zijn volk, Psalm 80:4, want "het is Zijn welgevallen," Spreuken 15:8, en het behaagt Hem, dat er met Hem geworsteld wordt in heet gebed. Zelfs als wij bijzondere tekens ontvangen van Gods gunst, behoren wij over onszelf te waken, ten einde ons niet bloot te stellen aan het Goddelijk ongenoegen, en daarom moeten wij in de armen van ons geloof de Middelaar meebrengen, om over de ongerechtigheid onzer heilige dingen verzoening te doen.
3. Hier is grote liefde.
a. Een liefderijke mening van Sodom's aard en hoedanigheid, hoe slecht de mensen er ook waren, dacht hij toch dat er verscheidene rechtvaardigen woonden. Het betaamt ons om ook van de slechtste plaatsen het beste te hopen. Van de twee dwalingen is die het beste, welke naar die richting dwaalt. b. Een liefderijke begeerte naar Sodom's welvaren, hij gebruikte al zijn invloed bij de troon der genade, om genade voor hen te verkrijgen. Nooit zien wij hem zo vurig en dringend in het pleiten bij God voor zich en zijn gezin als hier voor Sodom. Wij zien hier ook grote vrijmoedigheid en gelovig vertrouwen.
4. a. Hij nam de vrijheid om een zeker getal te noemen van rechtvaardigen die, naar hij dacht, in Sodom gevonden zouden worden. Misschien zijn er vijftig, vers 24.
b. Telkens en nogmaals rekent hij op Gods genade. Als God veel toestond, vroeg hij om nog meer, in de hoop om zo zijn doel te bereiken.
c. Hij bracht de voorwaarden van genade tot een zo laag getal, als zijn schaamtegevoel hem slechts toeliet, (daar hij genade voor de vijf steden verkreeg, als er slechts tien rechtvaardigen in gevonden werden) en dat cijfer was zo laag, dat hij er uit opmaakte, dat de steden gespaard zullen worden.
IV. Het welslagen van zijn gebed. Hij, die aldus met God worstelde, heeft heerlijk overwonnen, want hij had zich vorstelijk gedragen met God, en zo behoefde hij slechts te vragen om te ontvangen.
1. Gods algemene goedwillendheid bleek hierin, dat Hij er in toestemde de goddelozen te sparen om wille van de rechtvaardigen. Zie hoe snel God bereid is om barmhartigheid te betonen, Hij zoekt zelfs naar een reden er voor. Zie ook hoe de Godvruchtigen tot zegen zijn voor elke plaats, waarin zij zich bevinden, en hoe weinig diegenen hun eigen welzijn bevorderen, die hen haten en vervolgen.
2. Zijn bijzondere gunst jegens Abraham blijkt hierin, dat Hij niet ophield met geven, voordat Abraham ophield met vragen. Zo groot is de macht van het gebed. Waarom is Abraham dan opgehouden te vragen, toen hij reeds verkregen had dat de plaats gespaard zou worden zo er, al was het maar tien rechtvaardigen, in gevonden werden? Hetzij:
a. Omdat hij erkende, dat zij verdienden om te komen, indien er niet zo veel waren, zoals de wijngaardenier, die er in toestemde om de onvruchtbare vijgenboom uit te houwen, indien hij, na nog een proefjaar, geen vrucht zou opleveren, Lukas 13:9. Of:
b. Omdat God zijn geest weerhield om nog verder te vragen. Als God besloten heeft een plaats te verderven, dan verbiedt Hij om er voor te bidden, Jeremia 7:16, 11:14, 14:11.
Eindelijk. Wij hebben hier het eindigen van de samenspreking, vers 33.
1. Toen ging de Heere weg. De gezichten Gods kunnen in deze wereld niet altijd voortduren, daar het alleen door het geloof is, dat wij ons hier God moeten voorstellen. God ging niet weg voordat Abraham alles gezegd had, wat hij te zeggen had, want nooit is Hij het moede om naar het gebed van Zijn volk te horen Jesaja 59:1.
2. Abraham keerde weer naar zijn plaats. Hij was niet opgeblazen door de eer, die hem was aangedaan, en door het buitengewone onderhoud, dat God hem had toegestaan, was hij niet van het vervullen van zijn gewone dagelijkse plichten afgebracht. Hij keerde weer naar zijn plaats om waar te nemen wat er nu zou geschieden, en het bleek, dat zijn gebed was verhoord, al was het ook dat Sodom niet gespaard bleef, daar er geen tien rechtvaardigen in gevonden werden. Nooit kunnen wij te weinig verwachten van de mens, en nooit kunnen wij te veel verwachten van God.