3
Johannes 3-8
In deze verzen vinden wij:
I. De goede tijding, welke de apostel omtrent zijn vriend ontvangen had. De broeders kwamen en getuigden van uwe waarheid, vers 3, die getuigd hebben van uwe liefde in de tegenwoordigheid der gemeente, vers 6. Wij zien hier:
1. Hetgeen omtrent Gajus getuigd werd. De waarheid die in hem was, de werkelijkheid van zijn geloof, de oprechtheid van zijn godsvrucht, zijn toewijding aan God, en dit alles werd bewezen door zijne liefde, waaronder begrepen wordt zijn liefde tot de broederen, zijn vriendelijkheid voor de armen, gastvrijheid voor Christelijke vreemdelingen, en bereidheid om hen in den dienst des Evangelies te ondersteunen. Het geloof moet door de liefde werken, het geeft heerlijkheid in en aan de werken der liefde, en overtuigt daardoor anderen van zijn oprechtheid.
2. De getuigen, de broederen, die van Gajus kwamen, brachten getuigenis. Zij, die goeds genoten hebben, zijn schuldig goed getuigenis af te leggen. Ofschoon een goede naam slechts een kleine beloning is voor grote diensten, is hij toch beter dan olie, en zal door de godvruchtigen en welgezinden niet geweigerd worden.
3. Het gehoor en de beoordelaars, voor welke dat getuigenis werd gegeven: in de tegenwoordigheid der gemeente. Dit schijnt de gemeente geweest te zijn, waar de apostel toen woonde. Wij weten niet met zekerheid welke gemeente dat was, wij kunnen niet zeggen bij welke gelegenheid deze broeders zo hadden getuigd voor de gemeente van zijn geloof en zijne liefde, waarschijnlijk had uit den overvloed des harten de mond gesproken, zij konden alleen mededelen en getuigen wat zij bevonden en ondervonden hadden. Wellicht wilden zij daardoor de gemeente opwekken tot gebed om de voortzetting van het leven en de nuttigheid van zulk een beschermer, opdat hij mocht welvaren en gezond zijn gelijk zijne ziel welvoer.
II. De getuigenis, die de apostel zelf van hem geeft, ook weer ingeleid door een tedere benaming. Geliefde, gij doet trouwelijk in al hetgeen gij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen, vers 5.
1. Hij was gastvrij, goed voor de broederen, zelfs voor de vreemdelingen, dat zij Christus toebehoorden was genoeg om hun toegang in Gajus' huis te verschaffen. Hij was goed voor de broederen, die met hem tot dezelfde gemeente behoorden, en voor hen, die van verre kwamen, alle huisgenoten des geloofs waren hem welkom.
2. Hij schijnt een ruim hart gehad te hebben, hij kon de kleinzielige verschillen onder ernstige Christenen over het hoofd zien, en mededeelzaam zijn jegens allen, die het beeld van Christus droegen en Zijn werk verrichtten.
3. Hij was nauwgezet in hetgeen hij deed.
Gij doet trouwelijk in (gij maakt nauwgezet werk van) hetgeen gij doet, gij doet het als een getrouw dienstknecht, en van den Heere Jezus Christus moogt gij de eeuwige erfenis als beloning tegemoet zien. Zulke getrouwe zielen kunnen hun eigen lof horen zonder daardoor opgeblazen te worden, de goedkeuring van het goede in ons geschiedt niet om ons hoogmoedig te maken, maar om ons aan te moedigen er in voort te gaan, en moet ons dus verbeteren.
III. De blijdschap des apostels over de goede getuigenis zelf en over de reden daarvoor.
Ik ben zeer verblijd geweest als de broeders kwamen en getuigden enz., vers 3. Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor dat mijne kinderen in de waarheid wandelen, vers 5, in de voorschriften van den Christelijken godsdienst. Het beste bewijs dat wij de waarheid hebben, is dat wij in de waarheid wandelen. Goede mensen zullen zich grotelijks verblijden in den welstand der zielen van anderen, en zij verheugen zich wanneer zij horen van de genade en de goedheid van anderen. Zij verheerlijkten God in mij. De liefde benijdt niet, maar verheugt zich in den goeden naam van anderen. Evenals het de blijdschap van goede ouders is, zo is het ook de blijdschap van goede dienaren, te zien dat hun kinderen bewijs geven van hun oprechtheid in den godsdienst en hun belijdenis versieren.
IV. De aanwijzing, welke de apostel zijn vriend geeft omtrent de verdere behandeling van de broederen, die met hem waren. Welken indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zo zult gij weldoen, vers 6. Het schijnt in die dagen van liefde gewoonte geweest te zijn om reizende dienaren en Christenen, ten minste een gedeelte van hun weg, te vergezellen, 1 Corinthiërs 16:6. Het is een vriendelijkheid aan een vreemdeling bewezen, wanneer men hem tot gids strekt, en een genoegen voor reizigers om geschikt gezelschap te ontmoeten. Dit werk moet Gode waardig verricht worden, overeenkomstig den eerbied, dien wij voor God hebben, en de betrekking waarin wij tot Hem staan. De Christenen moeten niet alleen letten op hetgeen zij moeten doen, maar ook op hetgeen zij mogen doen, om dat op de meest eervolle en loffelijke wijze te verrichten. De milddadige beraadslaagt milddadigheden en staat op milddadigheden, Jesaja 32:8. De Christenen moeten ook de gewone dingen des dagelijksen levens en van weldadigheid Gode waardig verrichten, God daarin dienen en Zijne verheerlijking er mede bedoelen.
V. De redenen, waarom hij dezen regel aan de hand doet, en wel deze twee:
1. Want zij zijn voor Zijnen naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen, vers 7. Het blijkt dus dat deze broederen dienaren waren, dat zij uitgingen om het Evangelie te verkondigen en het Christendom te verbreiden, waarschijnlijk waren zij door den apostel zelf uitgezonden. Zij gingen om de heidenen te bekeren, dat was dus een uitnemende dienst, zij gingen voor Gods naam en zaak. Dat moet des dienaars hoogste doel en al zijn beweegreden zijn: een volk te vergaderen en op te bouwen voor den naam van God. Zij gingen om een vrij Evangelie te brengen, om het zonder bezwaring af te geven: niets nemende van de heidenen. Zij waren daardoor dubbele eer waardig. Er zijn mensen, die niet geroepen worden om zelf het Evangelie te verkondigen, en die toch zeer nuttig kunnen zijn om het te bevorderen. Het Evangelie moet om niet gebracht worden aan hen, wie het voor de eerste maal verkondigd wordt. Van hen, die het niet kennen, kan men niet verwachten dat zij het zullen waarderen. De gemeenten en de Christenen moeten met elkaar wedijveren om de verkondiging van het Evangelie in de heidenlanden te doen geschieden, ieder moet naar zijn roeping, gaven en vermogen helpen. Zij, die het Evangelie om niet gaan brengen, moeten ondersteund worden uit de beurzen der overigen. 2. Wij dan zijn schuldig de zodanige te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid, vers 8, van den waren godsdienst. De instelling van Christus is de ware godsdienst, zij heeft de getuigenis van God. Zij, die daarin en daaraan getrouw zijn, zullen ernstig begeren naar, bidden voor en helpen aan haar uitbreiding in de wereld. Op velerlei wijzen kan de waarheid vriendelijk bevorderd worden. Die haar niet zelf kunnen verkondigen, kunnen haar ontvangen, verzellen, helpen, en de anderen steunen.