10. Wie onder u is wijs! die versta deze dingen, die ik u in mijn Boek der profetie, tot waarschuwing, tot bestraffing, tot verbetering en tot kastijding in de rechtvaardigheid heb voorgehouden. Wie is verstandig? die bekenne ze tot redding zijner ziele en beware ze in een goed hart. Want, om hier nog eens alle woorden van waarschuwing en troost in `t kort zamen te vatten, des HEEREN wegen, die Hij ons geboden heeft te bewandelen, en op welke Hij zelf ons leidt, zijn recht, en brengen hem, die zich laat leiden, enkel zegen aan, ja eindelijk eeuwige zaligheid (
Deuteronomium 33:4), en de rechtvaardigen, die op Zijnen wil acht geven en op Zijne belofte wachten, zullen daarin wandelen ten leven; maar de overtreders, die Zijne wegen verlaten, zullen daarin vallen 1) en diezelfde wegen moeten hun ten dode worden (
Deuteronomium 30:19,
1 Corinthiërs 1:181) De wegen des Heeren gaan van de betoning van toorn tot betoning van genade, van het doden tot het levend maken, van verberging tot openbaring, van wachten tot verwachten, van ellende en jammer tot overwinning over dood en hel, en tot rijp en eeuwig genieten van alles wat goed is.
Als nu dit alles, ja dit gehele profetische Boek besloten wordt met ene opwekking tot aandachtig nadenken, tot getrouwe behartiging en tot enen godvruchtigen wandel, leg dan zulk een woord niet voor rekening van Israël, hetwelk zich in zulk een vegen en hachelijken toestand bevond, en zou dan de versmading daarvan niet op de jammerlijkste wijze zijn geboet geworden, en zij alleen ware wijsheid bezeten hebben, die er zich door leren en leiden lieten? Ook voor ons staat dit hier niet te vergeefs. Door alle tijden zullen alle Gods woorden waarheid zijn en dus ook deze. Indien een mens, indien ons volk zo onwijs wil wezen, van naar den Heere niet te luisteren, door eigen schuld zal men verloren gaan en ongelukkig worden. Ware wijsheid zal het wezen, en een werk Gods zal het blijken te zijn, wanneer men daarnaar luistert en van geheler harte daarop let. Zijt ons genadig, en schenk ons Uwen Geest.
De weg van Gods geboden, waarin Hij van ons eist, dat wij zullen wandelen is recht, overeenkomstig met de regelen van enige reden en billijkheid, en een rechte stelling hebben tot eigen gelukzaligheid. De wegen van Gods voorzienigheid, waarin Hij hen wil zien wandelen zijn alle recht; geen fout is er te vinden bij alles, wat God doet, want het is alles welgedaan, Zijne oordelen over onboetvaaardigen, Zijn gerichten over de boetvaardigen, zij zijn allen recht, hoezeer zij verdraaid en verkeerd worden voorgesteld, God zal ten laatste gerechtvaardigd en verheerlijkt worden door allen. Zijn wegen zijn effen.
De wijzen en rechtvaardigen zijn hier degenen, die wandelen in de wegen des Heeren, en voor wie de verborgenheden des Heeren zijn om ze hen bekend te maken.
Het zijn zij, die een afkeer hebben of hebben gekregen van de afgoden, van alle oneerlijke wegen, en overtuigd om alleen te vragen naar Hem, die leidt op zijne wegen, en die leidt op de paden, waarop wrede en zaligheid wordt genoten!
SLOTWOORD OP HET BOEK HOSEA.
Terwijl de Profeet Jesaja inzonderheid optreedt in het Rijk der Twee stammen, treedt de Profeet Hosea op onder het Rijk der Tien stammen, om het af te manen van de wegen der goddeloosheid, waarop zowel de Overheid als het volk wandelde, en het terug te brengen tot den enigen en waren dienst Gods.
Zoals we reeds in onze inleiding opmerkten, treedt hij niet alleen op als een zoon des donders, maar ook als die der vertroosting.
Het is dan ook zo waar opgemerkt, dat bij niet één Profeet zich zo duidelijk de liefde, die door niets is te verbreken, openbaart als de diepste grond van zijn eigen hart, dan bij den Profeet Hosea.
Niet ten onrechte wordt hij genoemd: de Profeet der hoog-tragische zielesmart. Als een boetprofeet treedt hij op tegen de zonde zijns volks, omdat hij zijn volk liefheeft, omdat hij het weet, dat alleen in de vreze Gods, in het dienen van den Heere God het geluk en de welvaart van land en volk ligt besloten.
Hij spreekt, omdat hij spreken moet, gedreven als hij wordt door Gods Geest, opdat de ere Gods gehandhaafd worde in de straffen der goddelozen en in den zegen van het tot God zich bekerend Israël.
Het volk zelf vermoedt niets van het aanstaande verderf.
Meer dan ooit bloeit, zoals het schijnt, Israëls koningshuis en Efraïms volksbestaan.
Maar de bijl is aan den wortel gelegd.
De zonde van afgodendienst en van weelde en Godvergetenheid is ten toppunt gestegen.
Het volk in zijn geheel heeft God verlaten, en daarom kan het niet anders of verderf en ondergang zullen het gevolg er van zijn.
Alleen in bekering is redding, in terugkeer tot God afkering van het verderf. En dit is het wat de Profeet met vele woorden aankondigt.
Waarbij Hij tevens op den Heere God wijst, als die bereid is om het tot Hem zich bekerend volk genadig te zijn, waar Hij zelf als onder een beeld het laat voorstellen, dat Zijn trouw door de trouweloosheid van zijn volk niet wordt te niet gedaan.
Maar waar hij in bekering redding verkondigt, daar wijst hij ook tevens er op, dat dit alleen Gods werk is, dat het de Heere is, die de kloof tussen Israël en Juda zal wegnemen, en dat Hij eenmaal zich volkomen over Zijn volk zal erbarmen.