Exodus 14:21-31
Wij hebben hier de geschiedenis van het wonderwerk, waarvan zo dikwijls melding wordt gemaakt, beide in het Oude en het Nieuwe Testament, het splijten van de Schelfzee voor de kinderen van Israël. Het was de schrik van de Kanaänieten, Jozua 2:9, 10, de juichende lof van de Israëlieten, Psalm 114:3, 106:9, 136:13, 14. Het was een type van de doop, 1 Corinthiërs 10:1, 2. Israëls doorgaan door de zee was een type van de bekering van zielen, Jesaja 11:15, en de ondergang van de Egyptenaren er in was een type van het laatste verderf van alle onboetvaardige zondaren, Openbaring 20:14. Hier is:
I. Een voorbeeld van Gods almachtige kracht in het rijk van de natuur, door het splijten van de zee en het openen van een doortocht door de wateren. Het was een baai, golf, of zeearm, ongeveer een uur gaans breed, waarvan het water verdeeld werd, vers 21. Het ingestelde teken, waarvan gebruik werd gemaakt, was het uitstrekken van Mozes hand over de zee, om aan te duiden dat het geschiedde op zijn gebed, ter bekrachtiging van zijn zending en ten gunste van het volk, dat hij aanvoerde. Het natuurlijke teken was een sterke oostenwind, aanduidende, dat het geschiedde door de kracht van God, aan wie de winden en zeeën gehoorzamen. Als er in het boek van Job een plaats is, die verwijst naar de wonderen, gewrocht voor Israëls bevrijding uit Egypte, dan is het deze: "door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing," of, zoals het oorspronkelijke het heeft, "verslaat Hij Rahab," dat is: Egypte, Job 26:12. God kan Zijn volk door de grootste moeilijkheden heen brengen en een weg banen waar geen weg is. De God van de natuur heeft zich niet aan haar wetten gebonden, maar zal, als het Hem behaagt er zich van ontheffen, en dan zal het vuur niet branden en het water niet vloeien.
II. Een voorbeeld van Zijn grote gunst jegens Israël. Zij trokken door de zee naar de tegenoverliggende oever, (want ik kan niet zoals sommigen, veronderstellen, dat zij een omweg maakten, en er weer aan dezelfde zijde uitkwamen) vers 22, 29, zij gingen op het droge in het midden van de zee. En de wolkkolom, de heerlijkheid van de Heer, was hun achtertocht, Jesaja 58:8, en opdat de Egyptenaars hen niet In de flank zouden aanvallen, was het water voor hun een muur aan hun rechter- en aan hun linkerhand. Mozes en Aäron hebben waarschijnlijk het eerst de voet op dit onbetreden pad gezet, en toen ging heel Israël hen achterna, en deze tocht over het pad van het grote water zal later hun tocht door de woestijn minder verschrikkelijk maken. Zij, die God waren gevolgd door de zee, behoefden niet te vrezen om Hem te volgen, waar Hij hen ook heen zou leiden. Die tocht door de zee geschiedde bij nacht, maar die nacht werd door geen maneschijn verlicht, want het was zeven dagen na volle maan, zodat zij geen ander licht hadden dan het licht van de wolk- en vuurkolom. Hierdoor werd die tocht nog ontzaglijker, maar waar God ons leidt zal Hij ons ook licht geven, zolang wij Zijn leiding volgen, zal het ons aan Zijn vertroostingen niet ontbreken.
Dit is geschied en te boek gesteld ten einde in alle eeuwen het volk van God aan te moedigen om ook in de grootste benauwdheden op Hem te vertrouwen. Wat kan Hij niet doen, die dit gedaan heeft? Wat zal Hij niet doen voor hen, die Hem vrezen en liefhebben, die dit voor deze murmurerende, ongelovige Israëlieten gedaan heeft, die toch beminden waren ter wille van hun vaderen, en om ter wille van een overblijfsel onder hen? Wij bevinden dat lang daarna de heiligen zich tot deelgenoten hebben gemaakt in de triomf van deze tocht, Psalm 66:6, "Hij heeft de zee veranderd in het droge zij zijn te voet doorgegaan door de rivier, daar hebben wij ons in Hem verblijd, " en zie hoe van dit wonderwerk gebruik wordt gemaakt, Psalm 77:12, 17, 20.
III. Een voorbeeld van Zijn rechtvaardige toorn op de vijanden van Zijn volk, de Egyptenaars.
Merk hier op:
1. Hoe verdwaasd zij waren. In de hitte van hun vervolgen en najagen gingen zij achter hen aan in het midden van de zee, vers 23. "Wel"! dachten zij, "kunnen wij niet gaan waar Israël zich gewaagd heeft?" Een of twee maal hadden de Egyptische tovenaars met hun toverijen gedaan wat Mozes deed. Farao herinnerde zich dit, maar hij vergat hoe zij ten slotte in de klem zijn gebracht, en hun machteloosheid is gebleken. Zij waren overvloedig voorzien van wagens en paarden, terwijl de Israëlieten te voet waren. Farao had gezegd: Ik ken de Heer niet, en hier bleek dat hij Hem niet kende, want anders zou hij dat waagstuk niet ondernomen hebben. Niemand is zo stoutmoedig of vermetel als zij die blind zijn. Woede tegen Israël maakte hen aldus vermetel en onbezonnen. Gedurende lange tijd hadden zij hun hart verhard, en nu heeft God hen verhard tot hun verderf, en voor hun ogen verborgen hetgeen tot hun vrede en veiligheid kon dienen. "Zeker, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte," Spreuken 1:17, maar de Egyptenaars waren zó verblind, dat zij "zich haastten naar de strik," Spreuken 7:23. Het verderf van de zondaars wordt over hen gebracht door hun eigen verwaandheid, die hen hals over kop in de afgrond stort. Zij zijn zelfmoordenaars.
2. Hoe zij ontrust werden en in verwarring geraakten, vers 24, 25. Gedurende enige tijd marcheerden zij door het gespleten water even veilig en triomfantelijk als Israël, niet twijfelende, of zij zouden weldra hun doel bereikt hebben. Maar in de morgenstond zag de Heer in de vuurkolom en van de wolk op het leger van de Egyptenaren, en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren. Zij zagen of hoorden iets uit de vuurkolom en uit de wolk, dat hen in de uiterste ontsteltenis bracht en hun een besef gaf van hun verderf vóór het nog over hen was gekomen. Nu is het gebleken dat "het gejuich van de goddelozen van korte duur is," Job 20:5 I), en dat God middelen heeft om de zondaars tot wanhoop te brengen, eer Hij hen in het verderf stort. Hij snijdt de geest van de vorsten af als druiven. en is voor de koningen van de aarde vreeslijk.
a. Zij hadden gesnoefd en geroemd, alsof de overwinning van hun was, maar nu waren zij verbaasd en verslagen, door een panische schrik overweldigd.
b. Zij hadden onzinnig gedreven, maar nu dreven zij zwaar, bij iedere schrede werd hun het voortgaan moeilijker, de weg werd diep, hun hart werd treurig, de raderen vielen af van de wagens, de wagenassen werden gebroken. Aldus kan God het geweld weerhouden van hen, die Zijn volk vervolgen.
c. Zij waren Israël achterna geijld, zoals de havik de sidderende duif, maar nu riepen zij: "Laat ons vlieden van het aangezicht van Israël," dat hun "als een vurige fakkel was onder de schoven," Zacheria 12:6. Israël is nu plotseling even schrikwekkend voor hen geworden, als zij het voor Israël geweest zijn. Zij hadden Israël met rust kunnen laten, maar zij wilden niet, nu willen zij van het aangezicht Israëls vlieden, en kunnen niet. De mensen willen niet overtuigd worden vóór het te laat is, dat zij, die zich met Gods volk bemoeien, dit doen tot hun eigen schade en nadeel. Als de Heere zal komen met tienduizenden van Zijn heiligen om gericht te oefenen, dan zullen de machtigen zich tevergeefs zoeken te beschutten onder rotsen en bergen van het aangezicht van Israël en van de Koning van Israël, Openbaring 6:15. Vergelijk met deze geschiedenis Job 27:20 en verv.
3. Hoe zij allen, zodra de kinderen Israëls veilig aan de oever waren gekomen, verdronken zijn. Aan Mozes was bevel gegeven om zijn hand uit te strekken over de zee, en daarmee het sein te geven aan de wateren om zich weer te sluiten, zoals zij tevoren op het woord van bevel zich hadden geopend en een muur hadden gevormd aan hun rechter en aan hun linkerhand, vers 29. Hij volgde het bevel op, en onmiddellijk keerden de wateren weer in hun plaats en overstelpten het leger van de Egyptenaren, vers 27, 28. Farao en zijn dienstknechten, die elkaar verhard hadden in de zonde, zijn nu tezamen gevallen, niet een is ontkomen. Een oude overlevering zegt dat Farao's tovenaars, Jannes en Jambres, met de overigen zijn omgekomen, zoals Bileam omgekomen is met de Midianieten, die hij had verleid, Numeri 31:8. En nu wreekte God aan de Egyptenaren het bloed van de eerstgeborenen, die zij hadden verdronken, en het kapitaal wordt terugbetaald met interest, het wordt dubbel gerekend, volwassen Egyptenaren voor pasgeboren Israëlieten, aldus is de Heer rechtvaardig en is het bloed van Zijn volks dierbaar in Zijn ogen. Psalm 72:14. God rekende af met Farao voor al zijn trots, beledigend gedrag tegenover Mozes, zijn gezant. Als men de boodschappers van de Heer bespot en misleidt, dan zal men een gewis verderf over zich brengen. Nu is God "aan Farao verheerlijkt," neerziende op die hoogmoedige en hem vernederende, Job 40:6. Kom en zie de verwoestingen, die Hij heeft aangericht, en schrijf het, niet in water, maar met een ijzeren griffel voor eeuwig en eeuwig in een rots. Hier ligt die bloeddorstige tiran, die zijn Maker heeft getart, Zijn eisen, Zijn bedreigingen en Zijn oordelen in de wind heeft geslagen, een rebel tegen God en een slaaf van zijn eigen barbaarse hartstochten, ontbloot van alle menselijkheid, deugd en ware eer, hier ligt hij, begraven in de afgrond, als een eeuwig gedenkteken van de goddelijke gerechtigheid. Hier verzonk hij in de afgrond, hoewel hij een schrik was voor de machtigen in het land van de levenden. "Dit is Farao en zijn gehele menigte," Ezechiël 31:18.
IV. Wij zien hier hoe de kinderen van Israël nota hebben genomen van het wonder, dat God voor hen had gewrocht, en de goede indruk die dit voor het ogenblik op hen heeft gemaakt.
1. Zij zagen de Egyptenaars dood aan de oever van de zee, vers 30. Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat de volgende vloed de lijken aangespoeld heeft.
a. Ter meerdere schande voor de Egyptenaren. Nu werden de wilde dieren en de roofvogels opgeroepen om "het vlees van de koningen en het vlees van de oversten over duizend en het vlees van de sterken te eten," Openbaring 19:17, 18. De Egyptenaars waren zeer kieskeurig voor het balsemen van de dode lichamen van hun groten, maar hier wordt de uiterste verachting uitgestort over alle rijksgroten van Egypte. Zie hoe zij daar liggen, hopen op hopen, als mest op de oppervlakte van de aarde.
b. Tot grotere triomf van de Israëlieten, en0 om hen meer onder het gevoel te brengen van hun verlossing, want het oog doet het hart aan. Zie Jesaja 66:24. "Zij zullen heen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen van de lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben." Waarschijnlijk hebben zij toen de verslagenen beroofd, en tevoren gouden en zilveren vaten van hun naburen geleend hebbende, (die zij nu wegens deze trouwbreuk in hen na te jagen, niet verplicht waren terug te geven) verkregen zij nu ook wapens van hen, waarvan zij, naar sommigen denken, tevoren niet voorzien waren. "Zo heeft God de kop van de leviathan verpletterd, en hem tot spijze gegeven aan het volk in dorre plaatsen," Psalm 74:14. 2. Het zien van dit grote wonder heeft hen zeer aangedaan, nu vreesden zij de Heere, en geloofden in de Heere en aan Mozes Zijn knecht, vers 31. Nu schaamden zij zich over hun murmureringen en hun mistrouwen, en in de goede gemoedsgesteldheid, waarin zij nu waren, namen zij zich voor om nooit meer te wanhopen aan hulp van de hemel, neen, zelfs in de grootste benauwdheid niet, nooit zullen zij meer twisten met Mozes, of van terugkeren naar Egypte spreken. Zij waren nu in Mozes gedoopt in de zee, 1 Corinthiërs 10:2. Dit grote werk, dat God door de dienst van Mozes voor hen gewrocht heeft, verplichtte hen om, onder God, zijn leiding en aanwijzingen te volgen. Dit bevestigde hun geloof in de beloften, die nog vervuld moesten worden en aldus triomfantelijk uit Egypte uitgevoerd zijnde, twijfelden zij niet, of zij zouden weldra in Kanaän komen, daar zij zo'n God hadden om op te vertrouwen, en zo'n middelaar tussen hen en Hem. O dat er zo'n hart in hen geweest ware, als er nu in hen scheen te zijn! Gevoelige, merkbare zegeningen, maken, als zij nog nieuw zijn, merkbare indrukken, maar bij velen verflauwen die indrukken zeer snel. Zolang zij de werken van God zien, en er de weldaad van ondervinden, vrezen zij Hem en vertrouwen op Hem, maar spoedig vergeten zij Zijn werken, en dan veronachtzamen zij Hem. Hoe goed zou het voor ons zijn, als wij altijd in de goede gemoedsgesteldheid waren, waarin wij soms zijn!