Psalm 136:10-22
De grote dingen, die God voor Israël gedaan heeft, toen Hij het tot een volk heeft geformeerd en Zijn koninkrijk onder hen heeft opgericht, worden hier, evenals dikwijls elders in de psalmen, vermeld als voorbeelden beide van de macht van God en van Zijn bijzondere goedheid jegens Israël. Zie Psalm 135:8 en verv.
1. Hij heeft hen uitgevoerd uit Egypte, vers 10-12. Dat was een goedertierenheid, die lang duurde voor hen, en onze verlossing door Christus, waarvan de bevrijding uit Egypte een type was, is in waarheid een goedertierenheid tot in eeuwigheid, want het is een eeuwige verlossing. Van al de plagen van Egypte wordt alleen de dood van de eerstgeborenen genoemd omdat zij de overwinnende plaag was, door deze heeft God, die in al de plagen de Israëlieten van de Egyptenaren onderscheiden heeft, hen eindelijk van hen uitgevoerd, niet door een list, maar met een sterke hand en een uitgestrekte arm, een arm ver uitgestrekt om grote dingen te doen. Evenals deze wonderen van genade de opdracht van Mozes om aan Israël de wet te geven hebben bewezen, zo hebben zij ook Israël onder de verplichting gesteld om aan die wet te gehoorzamen, Exodus 20:2.
2. Hij baande hun een weg door de Schelfzee, die hun bij hun uittocht in de weg stond. Door de macht, die Hij heeft, om de gewone loop van de natuur te beheersen en te leiden, heeft Hij de Schelfzee in twee delen verdeeld tussen welke Hij een weg geopend heeft, en Israël tussen die delen heeft doen doorgaan, nu zij op het punt waren om met Hem in verbond te komen, zie Jeremia 34:18. Hij heeft niet slechts de zee verdeeld, maar aan Zijn volk de moed gegeven om er doorheen te gaan toen zij verdeeld was, hetgeen een voorbeeld was van Gods macht over het hart van de mensen, zoals het verdelen van de zee een voorbeeld was van Zijn macht over de wateren. En om het een wonder te doen zijn van gerechtigheid, zowel als van genade, is diezelfde Schelfzee, die een gebaande weg was voor de Israëlieten, het graf geweest van hun vervolgers. Daar heeft Hij Farao en zijn heir afgeschud.
3. Hij heeft hen door een grote huilende woestijn heengevoerd, vers 16, daar leidde Hij hen en spijzigde Hij hen, hun leger werd geproviandeerd en versterkt door een aanhoudende reeks van wonderen veertig jaren lang. Hoewel zij daar toefden en omwandelden, waren zij er toch niet verdwaald of verloren. En hierin was de goedertierenheid Gods en het voortduren dier goedertierenheid des te meer opmerkelijk, omdat zij Hem dikwijls tot toorn hebben verwekt in de woestijn.
4. Hij heeft koningen geslagen voor hun aangezicht, om plaats voor hen te maken, vers 17, 18, hen niet onttroond en verbannen, maar hen geslagen en gedood, waarin Zijn toorn bleek tegen hen, maar Zijn goedertierenheid, Zijn nimmer falende goedertierenheid, jegens Israël. En hetgeen dit groot maakte was, dat het grote koningen en beroemde koningen waren, maar God bracht hen even gemakkelijk tenonder alsof zij de zwaksten en geringsten van de mensenkinderen waren geweest. Het waren goddeloze koningen, en daarom heeft hun grootheid en luister hen niet beschermd tegen de gerechtigheid van God. Hoe groter en vermaarder zij waren, hoe meer Gods goedertierenheid jegens Israël uitblonk door zulke koningen aan hen over te geven. Inzonderheid worden Sihon en Og genoemd, omdat zij de eerste twee waren, die aan de andere kant van de Jordaan tenonder waren gebracht, vers 19, 20. Het is goed om in de bijzonderheden van Gods gunst te treden, en ze niet maar zo in het algemeen te beschouwen, en in iedere bijzonderheid te zien en te erkennen, dat Gods goedertierenheid tot in eeuwigheid is.
5. Hij stelde hen in het bezit van een goed land, vers 21, 22. Hij, wiens de aarde is en haar volheid, de wereld, en die daarin wonen, nam land van het ene volk, en gaf het aan een ander volk, naar het Hem behaagde. De ongerechtigheid van de Amorieten was nu volkomen, en daarom werd het hun ontnomen, Israël was Zijn knecht, en hoewel zij tergend waren geweest in de woestijn, had Hij toch dienst van hen op het oog, want hunner was de dienst van God. Gelijk Hij tot de Egyptenaren had gezegd: Laat Mijn volk uitgaan, zo zei Hij tot de Kanaänieten: Laat Mijn volk in, opdat zij Mij dienen. Hierin is Gods goedertierenheid tot in eeuwigheid voor hen, omdat het een beeld was van het hemelse Kanaän, de genade onzes Heeren Jezus Christus ten eeuwigen leven.