Psalm 77:12-21
De psalmist herstelt zich hier uit de grote benauwdheid, waarin hij verkeert, en brengt zijn vrees, dat God Zijn volk zou verstoten, tot zwijgen door te gedenken aan de grote dingen, die Hij tevoren voor hen gedaan had, hij had tevergeefs getracht er zich mee tot kalmte te brengen, vers 6, 7, maar hij beproefde het nogmaals, en toen bevond hij dat het niet tevergeefs was. Het is goed om te volharden in het gebruiken van de geschikte middelen om ons geloof te versterken, al is het ook dat zij niet terstond een goede uitwerking hebben, ik zal gedenken, ik zal gewis gedenken wat God van ouds voor Zijn volk gedaan heeft, totdat ik daarvan een gelukkige uitkomst kan afleiden van deze tegenwoordige duistere beschikkingen, vers 12, 13. De daden des Heeren voor Zijn volk zijn wonderen geweest. Zij zijn vermeld voor ons, opdat wij ze gedenken. Opdat wij het voordeel zullen hebben van dit gedenken, moeten wij ze bepeinzen, er bij verwijlen in onze gedachten, en ervan spreken, ten einde onszelf en anderen er nog verder over in te lichten. Het rechte gedenken van de daden Gods zal een krachtig tegengif zijn tegen wantrouwen in Zijn belofte en van Zijn goedheid, want Hij is God en verandert niet. Als Hij begint, zal Hij voleinden en de hoofdsteen voortbrengen.
Er waren twee dingen in het algemeen, die hem zeer bevredigden.
I. Dat Gods weg is in het heiligdom, vers 14. Hij is in heiligheid, zoals sommigen het lezen. Als wij de bijzondere moeilijkheden niet kunnen oplossen, welke ontstaan kunnen uit onze opvattingen en verklaringen van de Goddelijke voorzienigheid, dan zijn wij hier toch zeker van in het algemeen, dat God heilig is in al Zijn werken, dat zij Hem allen waardig zijn en in overeenstemming met de eeuwige reinheid en rechtheid van Zijn wezen. Hij heeft heilige doeleinden in alles wat Hij doet, en zal geheiligd worden in iedere beschikking van Zijn voorzienigheid. Zijn weg is overeenkomstig Zijn belofte, die Hij gesproken heeft in Zijn heiligheid en bekend gemaakt heeft in het heiligdom, wat Hij gedaan heeft is overeenkomstig hetgeen Hij gezegd heeft, en kan er door verklaard worden, en uit hetgeen Hij gezegd heeft, kunnen wij gemakkelijk afleiden dat Hij Zijn volk niet zal verstoten tot in eeuwigheid. Gods weg is voor het heiligdom en ten voordele ervan. Alles wat Hij doet is bestemd tot welzijn van de kerk.
II. Dat Gods weg is in de zee. Hoewel God heilig, rechtvaardig en goed is in alles wat Hij doet, kunnen wij toch geen verklaring af rekenschap geven van de redenen van Zijn handelingen, geen stellig oordeel hebben over Zijn voornemen en bedoelen, Zijn pad is in de grote wateren, en Zijn voetstappen werden niet bekend. vers 20. Gods wegen zijn als de diepe wateren, die niet gepeild kunnen worden Psalm 36:7 als de weg van een schip in de zee, die niet nagespeurd kan worden, Spreuken 30:18, 19. InGods handelingen moet altijd berust worden, maar er kan niet altijd een verklaring van worden gegeven.
Hij noemt enige bijzonderheden, waarvoor hij teruggaat tot aan de kindsheid van de Joodse kerk, en waaruit hij afleidt
1. Dat er geen God is, die vergeleken kan worden met de God Israëls, vers 14. Wie is een groot God, gelijk God! Laat ons eerst aan God de eer geven van de grote dingen, die Hij voor Zijn volk gedaan heeft, en Hem daarin groot erkennen boven alle vergelijking, en dan kunnen wij voor onszelf de vertroosting nemen van hetgeen Hij gedaan heeft en er ons mee bemoedigen. 2. Dat Hij een God is van almachtige kracht, vers 15. "Gij zijt die God, die wonderen doet, boven de macht van enig schepsel. Gij hebt zichtbaar en buiten alle tegenspraak Uwe sterkte bekend gemaakt onder de volken." Wat God voor Zijn kerk gedaan heeft is een voortdurende bekendmaking van Zijn almachtige kracht, want daarin heeft Hij Zijn eeuwige arm ontbloot.
A. God heeft Israël uitgevoerd uit Egypte, vers 16. Dit was het begin van Zijn goedertierenheid over hen, en meest jaarlijks door hen herdacht worden in het Pascha. "Gij hebt Uw volk door Uwen arm, uitgestrekt in zovele wonderen, verlost uit de hand van de Egyptenaren." Hoewel zij bevrijd werden door kracht, worden zij toch gezegd verlost, of opgelost, te zijn, alsof het was geschied voor een losprijs, omdat het een type was van de grote verlossing, die in de volheid des tijds gewrocht werd door Christus' bloed. Zij, die verlost werden, worden niet alleen de kinderen van Jakob genoemd, aan wie de belofte gegeven was, maar ook van Jozef, die een zeer vast en levendig geloof had in de vervulling ervan, want toen hij stervende was heeft hij melding gemeukt van het heengaan van de kinderen Israëls uit Egypte, en heeft hij bevel gegeven van zijn gebeente.
B. Hij heeft de Rode Zee voor hen gekliefd, vers 17. De wateren weken terug, en terstond was er een pad doorheen gemaakt, alsof zij God zelf gezien hadden aan het hoofd van de heirscharen Israëls, en zich uit ontzag voor Hem hadden teruggetrokken. Niet slechts de oppervlakte, maar ook de diepten van de wateren, de afgronden waren beroerd en openden zich ter rechter- en ter linkerzijde in gehoorzaamheid aan Zijn woord van bevel.
C. Hij verdelgde de Egyptenaren. De dikke wolken goten water uit over hen, vers 18, terwijl de vuurkolom als een regenscherm boven het leger Israëls het beschutte tegen die stortregen, waarin, als bij de zondvloed, de wateren boven het uitspansel samenwerkten met die, welke beneden het uitspansel waren, om de oproerlingen te verdelgen. Toen gaven de bovenste wolken geluid, ook gingen Uwe pijlen daarhenen, hetgeen verklaard is in vers 19, het geluid Uws donders was in het ronde, werd gehoord in de hemel, dat is het geluid, dat door de lucht klonk. De bliksemen verlichtten de wereld, dat zijn de pijlen, die daarhenen gingen, waardoor het heir van de Egyptenaren terneder geveld werd van schrik en ontsteltenis, en de aarde, of de aangrenzende kust, beroerd werd en daverde. Aldus was Gods weg in de zee ter vernietiging van Zijn vijanden, zowel als ter behoudenis van Zijn volk, en toch werden, toen de wateren terugkeerden naar haar plaast, Zijn voetstappen niet bekend, er werd geen kenteken gesteld op die plaats, zoals later er een in de Jordaan opgericht werd, Jozua 4:9. In de geschiedenis van Israëls tocht door de Rode Zee lezen wij van geen donderen en bliksemen en aardbeving, maar er konden zulke tentoonspreidingen van de verschrikking Gods bij die gelegenheid geweest zijn, en Josefus zegt dat zij er geweest zijn. Het kan echter ook zien op de donderen, bliksemen en de aardbeving bij de berg Sinaï, toen de wet gegeven werd.
D. Hij heeft Zijn volk Israël onder Zijn eigen leiding en bescherming genomen, vers 21. Gij leiddet Uw volk als een kudde. Daar zij zwak en hulpeloos waren, onderhevig om als een kudde schapen te verdwalen, en aan roofdieren waren blootgesteld, is God met al de zorg en tederheid van een herder voor hen heengegaan, opdat zij niet zouden bezwijken. De wolk- en vuurkolom leidde hen, maar daar wordt hier geen nota van genomen, wel van Mozes en Aaron door wier hand God hen geleid heeft, zij hadden het niet kunnen doen zonder God, maar God deed het met en door hen. Mozes was hun regeerder, Aaron hun hogepriester, zij waren leidslieden, opzieners en heersers van Israël, en door hen heeft God hen geleid. De rechte en gelukkige administratie van de twee grote instellingen van overheid en bediening van de Godsdienst is wel niet zo'n groot wonder, maar toch wel een even grote zegen voor ieder volk, als de wolk- en vuurkolom voor Israël in de woestijn.
De psalm eindigt plotseling zonder deze aloude voorbeelden van Gods macht toe te passen op de tegenwoordige benauwdheid van de kerk, zoals men had kunnen verwachten. Maar zodra de godvruchtige man deze dingen begon te overpeinzen, bevond hij dat hij zijn doel had bereikt, de "opening van deze zaak gaf hem licht," Psalm 119:130, plotseling en verwonderlijk was zijn vrees verdwenen, zodat hij niet verder behoefde te gaan, hij "ging zijns weegs, en hij at, en zijn aangezicht was hem zodanig niet meer."