Exodus 8:1-15
Farao wordt hier eerst gedreigd, en daarna geplaagd met kikvorsen, zoals later in dit hoofdstuk met luizen en een vermenging van ongedierte, kleine, onbeduidende, verachtelijke dieren, maar hun ontzettend groot aantal maakte ze tot zware plagen voor de Egyptenaren. God had hen kunnen plagen met leeuwen beren wolven of gieren, of andere roofvogels, maar Hij verkoos het te doen door deze verachtelijke werktuigen:
1. Om Zijn eigen macht te verheerlijken. Hij is de Heer van de legerscharen van geheel de schepping, heeft alle schepselen in Zijn macht, en doet met hen wat Hem behaagt. Terecht heeft men gezegd, dat de macht van God evenzeer getoond wordt in het maken van een mier als in het maken van een olifant, zo is ook Zijn voorzienigheid in het dienen van Zijn eigen doeleinden even krachtig en afdoende door de minsten van Zijn schepselen als door de grootsten en sterksten, opdat de uitnemendheid van de kracht, in oordeel zowel als in goedertierenheid, is van God en niet van het schepsel. Zie hoeveel reden wij hebben om ontzag te hebben voor die God, die als het Hem behaagt, het kleinste in de schepping tegen ons kan wapenen. Als God onze vijand is, dan voeren alle schepselen oorlog tegen ons.
2. Om Farao's hoogmoed te vernederen en zijn onbeschaamdheid te straffen. Welk een vernedering moet het voor die hovaardige vorst geweest zijn, om op de knieën gebracht te worden, genoodzaakt zich te onderwerpen, en dat wel door zulke geringe, verachtelijke middelen! Gewoonlijk is ieder kind wel instaat om over deze aanvallers te zegevieren, maar nu zijn hun scharen zó talrijk en hun aanvallen zó krachtig, dat Farao met al zijn wagens en ruiters er niet tegen bestand is. Aldus stort Hij verachting uit over de prinsen, die Hem en Zijn heerschappij denken te verachten, en doet Hij hen, die Hem niet willen erkennen als hun meerdere, weten dat Hij, als het Hem behaagt, hen door het geringste schepsel kan doen honen en vertreden. Ten opzichte nu van de plaag van de kikvorsen kunnen wij opmerken:
I. Hoe er mee gedreigd werd. Mozes heeft zich ongetwijfeld tot de goddelijke majesteit gewend om nieuwe instructies te verkrijgen, en (terwijl de rivier misschien nog bloed is) wordt hem hier bevolen kennis te geven aan Farao van wederom een ander oordeel, dat over hem komen zal indien hij hardnekkig blijft: Indien gij weigert Mijn volk te laten trekken, vers 1,2, het is op uw gevaar. God straft de mensen niet voor de zonde dan wanneer zij er in volharden. "Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten," Psalm 7:13, hetgeen gunst aanduidt indien hij zich bekeert. Zo ook hier: Indien gij weigert, zo zal Ik uw landpale slaan, te kennen gevende, dat, indien Farao toegaf, de twist terstond zou eindigen. De plaag waarmee hij gedreigd werd in geval van weigering, was ontzettend uitgebreid, de kikvorsen zullen zo'n inval bij hen doen, dat zij er geen rust door zullen hebben in hun huizen, in hun bed, aan hun tafel, zij zullen geen rust hebben om te eten of te drinken, of te slapen, waar zij ook zijn zullen, overal zullen zij er door gekweld worden, vers 3, 4. Gods vloek zal een mens vervolgen, overal waar hij heengaat, zwaar op hem drukken bij alles wat hij doet. Zie Deuteronomium 28:16 en verv. Er is aan Gods oordelen geen ontkomen.
II. Hoe die plaag werd opgelegd. Daar Farao de waarschuwing in de wind sloeg en helemaal niet geneigd was aan Gods eis te voldoen, wordt aan Aäron bevolen om de legerscharen te doen aanrukken, en met de staf in zijn uitgestrekte hand het sein te geven tot de oorlog. "Dictum, factum-zo gezegd, zo gedaan," het leger wordt gemonsterd en onder bevel en aanvoering van een onzichtbare macht, komen zwermen van kikvorsen op in het land, en, met al hun kunst en al hun macht kunnen de Egyptenaren hun voortgang niet beletten. Vergelijk dit met de profetie van een leger van sprinkhanen en rupsen, Joël 2:2 enz, zie ook Jesaja 34:16, 17. Op de roepstem van God kwamen kikvorsen op en bedekten Egypteland. God heeft velerlei middelen om de gerusten te beroeren.
III. Hoe het de tovenaars toegelaten werd het na te bootsen, vers 7. Ook zij deden kikvorsen opkomen, maar zij konden die, welke op Gods bevel waren opgekomen, niet wegnemen. De onreine geesten, die uit de mond van de draak kwamen, worden gezegd de kikvorsen gelijk te zijn, welke uitgaan tot de koningen van de aarde om hen te bedriegen, Openbaring 16:13, welke Schriftuurplaats waarschijnlijk zinspeelt op deze kikvorsen, want het volgt op de verandering van water in bloed. De draak wilde, evenals de tovenaars er mee bedriegen, maar God wilde er diegene mee verderven, die bedrogen willen zijn.
IV. Hoe Farao zich boog onder deze plaag het was voor de eerste maal, vers 8. Hij verzoekt Mozes om te bidden om de wegneming van de kikvorsen, en hij belooft het volk te laten trekken. Hij, die kort tevoren met de uiterste minachting had gesproken, beide van God en van Mozes, wil zich nu graag verplicht rekenen aan de barmhartigheid van God en het gebed van Mozes. Aan hen, die God trotseren en het gebed minachten, zal in de dag van de benauwdheid vroeg of laat geleerd worden, hun behoefte aan beide in te zien, en dan zullen zij roepen: Heer, Heer, Mattheus 7:22. Zij, die gespot hebben met het gebed, zijn er toe gebracht er om te verzoeken, en de rijke man, die Lazarus had geminacht, heeft hem aangezocht om een druppel water voor hem te verkrijgen.
V. Hoe Mozes de tijd vaststelt met Farao, en toen door het gebed bij God heeft overmocht om de plaag van de kikvorsen op te heffen. Om te tonen, dat hetgeen hij deed, niet afhankelijk was van de samenkomst of de oppositie van de planeten, of van het gelukkige van het een uur boven het andere, zegt Mozes aan Farao, dat hij zelf de tijd maar moet bepalen. "Nullum occurrit tempus regi-Geen tegenwerping tegen de tijd, door de koning bepaald". Heb de eer boven mij, vers 9, zeg mij tegen wanneer ik voor u vuriglijk zal bidden. Dit was bedoeld om Farao te overtuigen, opdat zo zijn ogen niet geopend werden door de plaag, zij door het wegnemen er van geopend zouden worden. Zo verschillend zijn Gods methodes om de mensen tot bekering te brengen.
Farao stelt de tijd voor morgen, vers 10. En waarom niet terstond? Hield hij zoveel van zijn gasten, dat hij ze nog een nacht bij zich wil houden? Neen, maar waarschijnlijk hoopte hij dat zij vanzelf, voor morgen, zouden weggaan, en dan zou hij verlost zijn van de plaag, zonder er aan God of Mozes voor verplicht te zijn. Mozes stemt er echter in toe: "Het zij naar uw woord, het zal geschieden op de door u bepaalde tijd, opdat gij weet, dat-wat de tovenaars ook mogen zeggen of voorgeven, er niemand is gelijk de Heer, onze God." Niemand heeft zoveel macht over de schepselen als Hij, en niemand is zo bereid om hun vergiffenis te schenken, die zich voor Hem verootmoedigen. Het grote doel, van de oordelen zowel als van de goedertierenheden en zegeningen, is ons ervan te overtuigen, dat er niemand is gelijk de Heer, onze God, niemand zo wijs, zo machtig, zo goed, geen vijand zo geducht, geen vriend zo begerenswaardig en zo kostelijk.
Hierop wendt Mozes zich tot God en bidt vurig tot Hem om wegneming van de kikvorsen vers 12. Wij moeten bidden voor onze vijanden en vervolgers, zelfs voor de ergsten onder hen, zoals ook Christus gedaan heeft. Tengevolge van Mozes' bede zijn de kikvorsen, die de ene dag opkwamen, de volgenden of de tweede dag daarna, omgekomen. Allen stierven zij, vers 13, en opdat het zou blijken, dat het wezenlijke kikvorsen waren, werden hun dode lichamen op hopen bij elkaar geharkt, zodat hun stank hinderlijk werd, vers 14. De grote Opperheer van de wereld maakt van het leven en de dood van Zijn schepselen het gebruik, dat Hem behaagt, en Hij die een bestaan gaf om tot een doeleinde te dienen kan, zonder tekort te doen aan Zijn gerechtigheid, het terstond terug eisen om tot een ander doeleinde te dienen.
Vl. Wat het gevolg was van de plaag, vers 15. Toen nu Farao zag, dat er verademing was, heeft hij, zonder te denken aan hetgeen hij nog zo kort geleden had ervaren en gevoeld, of aan hetgeen hij reden had te vrezen, zijn hart verhard. Zolang het hart niet door Gods genade vernieuwd is, zullen de indrukken, door de kracht van de beproeving teweeggebracht, niet blijvend zijn, de overtuiging neemt af en de beloften, die afgeperst waren, worden vergeten. Zolang de luchtgesteldheid niet veranderd is, zal hetgeen dooit in de zon, weer bevriezen in de schaduw. Gods geduld en lankmoedigheid worden door onboetvaardige zondaren schandelijk misbruikt. Door de verademing, die Hij hun schenkt om hen tot bekering te brengen, worden zij verhard, en terwijl Hij hun genadig een wapenstilstand verleent ten einde tot vrede te komen, nemen zij die gelegenheid waar, om hun verslagen troepen weer te verzamelen, ten einde in hun ongeloof te volharden. Zie Prediker 8:11, Psalm 78:34 en verv.