Exodus 15:1-21
Gelezen hebbende hoe die volkomen overwinning van Israël over de Egyptenaren was verkregen, wordt ons hier meegedeeld hoe zij bezongen werd. Zij, die stil moesten zijn terwijl de verlossing gewerkt werd, Hoofdstuk 14:14, moeten nu zij gewerkt is niet stil zijn, hoe minder zij toen te doen hadden, hoe meer zij nu te doen hebben, indien God door Zijn onmiddellijke kracht verlossing tot stand brengt, dan strekt Hem dit zoveel te meer tot eer. Mozes heeft, ongetwijfeld door goddelijke ingeving, dit lied samengesteld, en het de kinderen Israëls overgegeven om gezongen te worden voordat zij de plaats verlieten, waar zij de Egyptenaars dood aan de oever zagen liggen.
Merk op:
1. Zij drukten hun blijdschap in God uit en hun dankbaarheid aan Hem, door te zingen, het is bijna natuurlijk voor ons om aldus uiting te geven aan onze vreugde en het juichen van onze ziel. Uit dit voorbeeld blijkt dat het zingen van psalmen als een daad van godsverering in de kerk van Christus gebruikelijk was voordat de ceremoniële wet was gegeven, en dus daarvan geen deel uitmaakte noch er door opgeheven werd. Zingen is evenzeer de taal van heilige vreugde, als bidden de taal is van heilige begeerte.
2. Mozes, die hen voorgegaan was door de zee, gaat hen voor in het lied, en dicht het voor hen. Zij, die een werkzaam aandeel nemen in de openbare dienst, moeten zich niet onzijdig houden in de openbare lofzegging.
3. Toen de zegen, het gunstbewijs, nog nieuw was, en zij er nog diep door getroffen waren, hebben zij dit lied gezongen. Als wij een bijzondere zege van God ontvangen hebben behoren wij snel en vaardig te zijn in Hem er voor te loven, voordat de tijd en de bedriegelijkheid van ons eigen hart de goede indrukken uitwissen, die er door gemaakt werden. David zong zijn triomfzang ten dage, toen de Heere hem verlost had, 2 Samuël 22:1. "Bis dat qui cito dat-Hij geeft tweemaal, die spoedig geeft."
4. Toen zij in de Heer geloofden, Hoofdstuk 14:31, hebben zij dit lied gezongen. Het was een lied van geloof, dit verband wordt aangeduid in Psalm 106:12, "Toen geloofden zij aan Zijn woorden, zij zongen Zijn lof,' als de mens gelooft met het hart, dan moet er aldus belijdenis worden gedaan.
Hier is:
Het lied zelf, en het is een aloud lied, het oudste dat wij kennen. Het is een bewonderenswaardig gedicht, de stijl is verheven en prachtig, de beeldspraak levendig en gepast en het geheel uiterst treffend. Het is een heilig lied, gewijd aan de eer Gods, en bedoeld om Zijn naam groot te maken en Zijn lof te zingen. Zijn lof alleen, en niet in het minst om de mens, om enige mens, te verheerlijken, heiligheid van de Heer is er op gegrift, en in het zingen er van eerden zij de Heer. Het is een typisch lied. De triomfen van de evangeliekerk in de val van haar vijanden worden uitgedrukt in het lied van Mozes en van het Lam, en van dat lied wordt gezegd, dat het gezongen wordt aan de glazen zee, zoals dit gezongen werd aan de Schelfzee, Openbaring 15:2, 3.
Laat ons opmerken wat Mozes in dit lied voornamelijk op het oog heeft. 1. Hij geeft eer aan God en juicht in Hem dit is het eerst in zijn bedoeling, vers 1. Ik zal de Heer zingen. Al onze blijdschap moet eindigen in God, en al onze lof Hem geofferd worden, Hem, de Vader van de lichten en Vader van alle barmhartigheden, want Hij heeft overwonnen. Allen, die God liefhebben, juichen in Zijn overwinningen, wat Zijn eer is, moet onze blijdschap zijn. Israëlieten verblijden zich in God, vers 2,
a. Als hun eigen God, en daarom hun kracht en lied en heil, zalig dus het volk wiens God de Heer is, zij behoeven niets meer om hen gelukkig te maken. Zij hebben werk te doen, tegen verzoekingen te strijden en beproevingen te dragen, en zij zijn in zichzelf zwak, maar Hij versterkt hen, Zijn genade is hun kracht. Om velerlei oorzaak zijn zij dikwijls in smart, maar in Hem hebben zij vertroosting, Hij is hun lied, zonde, dood en hel dreigen hen, maar Hij is, en zal zijn, hun heil, zie Jesaja 12:2.
b. Als de God van hun vaders. Zij merken dit op omdat zij, zich wel bewust zijnde van hun eigen onwaardigheid en zonde, reden hadden te denken dat God wat Hij voor hen gedaan had, ter wille van hun vaders gedaan heeft, Deuteronomium 4:37. De kinderen van het verbond moeten gebruik maken van betrekking van hun vaderen tot God als hun God, tot hun vertroosting, waarschuwing en opwekking.
c. Als een God van oneindige macht vers 3. De Heer is een krijgsman, dat is. machtig, wèl instaat om te strijden met hen die hun Maker weerstreven, en zal hun voorzeker te sterk blijken.
d. Als een God van onvergelijkelijke volmaaktheid, vers 11. O Heer, wie is als Gij onder de goden. Dit is reine lof en een verheven uitdrukking van ootmoedige aanbidding. Het is:
Ten eerste, een uitdaging van alle andere goden om zich met Hem gelijk te stellen, "laat hun voorbeden en hun hoogste aanspraken doen gelden, toch zal niemand van hen zich bij Hem durven vergelijken." Egypte was bekend om de menigte van zijn goden, maar de God van de Hebreeën was hun te sterk en heeft hen allen verslagen, Numeri 33:4, Deuteronomium 32:23-39 De vorsten en machthebbers van de wereld worden goden genoemd, maar zij zijn zwak en sterfelijk, geen van hen kan vergeleken worden bij Jehovah, de almachtige en eeuwige God.
Ten tweede. Het is een belijdenis van Zijn oneindige volkomenheden, als overtreffend en ongeëvenaard. God moet geëerd en aangebeden worden als een wezen van zo oneindige volkomenheid, dat er niemand Hem gelijk is, als een, die in alles de voorrang heeft en moet hebben, Psalm 89:7. Meer in het bijzonder:
1. Hij is: verheerlijkt in heiligheid, Zijn heiligheid is Zijn heerlijkheid. Het is de eigenschap, die de engelen in Hem loven Jesaja 6:3. Zijn heiligheid bleek in het verderf van Farao, Zijn haat tegen de zonde en Zijn toorn tegen hardnekkige zondaren. Zij bleek in de verlossing van Israël, Zijn verlustiging in het heilig zaad, en Zijn getrouwheid aan Zijn eigen belofte. God is rijk in genade, dat is Zijn schat, verheerlijkt in heiligheid, dat is Zijn eer. Laat ons bij de herinnering aan Zijn heiligheid altijd danken.
2. Vreeslijk in lofzangen, hetgeen het onderwerp is van onze lof is vreugdevol voor de dienstknechten Gods, maar ontzettend en zeer vreeslijk voor Zijn vijanden, Psalm 66:1-3. Of wel, het bestuurt ons in de wijze van ons loven van God, wij moeten Hem loven met ootmoedig, heilig ontzag, en de Heer dienen met vreze. Zelfs onze geestelijke blijdschap moet in evenwicht gehouden worden door een godsdienstige vreze.
3. Doende wonderen, Hij is wonderbaar voor allen, daar Hij boven de kracht en de gewone loop van de natuur is, wonderbaar, inzonderheid voor ons, voor wie Zijn wonderen gewrocht worden, voor ons, die zo onwaardig zijn, dat wij weinig reden hadden ze te verwachten. Het waren wonderen van kracht, en wonderen van genade, in beide moest God ootmoedig worden aangebeden.
2. Hij beschrijft de verlossing, waarin zij nu juichten, omdat het lied bestemd was, niet alleen om toen en voor dat ogenblik hun dankbaarheid op te wekken en er uitdrukking aan te geven, maar om de gedachtenis van dit wonder voor alle latere eeuwen te bewaren. Twee dingen moesten opgemerkt worden.
a. Het verderf van de vijand, het water was gekliefd, vers 8. De stromen hebben overeind gestaan als een hoop, Farao en geheel zijn leger is bedolven onder het water. Het paard en zijn ruiter konden niet ontkomen, vers 1, de wagens en de keur van zijn hoofdlieden gingen de zee in, en werden er overstelpt, vers 19. De diepten, de zee, bedekten hen, en de trotse wateren gingen over de trotse zondaren, zij zijn gezonken als een steen, als lood, vers 5,10, onder het gewicht van hun schuld en van Gods toorn. Hun zonde had hen hard gemaakt als een steen, en nu zijn zij rechtvaardig gezonken als een steen. Ja, de aarde heeft hen verslonden, vers 12, hun dode lichamen zonken in het zand, waarin zij aangespoeld waren, en dat hen inzoog. De hele schepping voert strijd tegen hen, tegen wie de Schepper strijdt. Dit alles was het doen van de Heer, Zijn doen alleen. Het was een daad van Zijn macht, Uw rechterhand, o Heer, niet de onze, heeft de vijand verbroken, vers 6. Het was door het geblaas van Uw neus, vers 8, en Uw wind, vers 10, en het uitstrekken van Uw rechterhand, vers 12. Het was een voorbeeld van Zijn alles-overtreffende macht, vers 7, door Uw grote hoogheid, en het was de uitoefening van Zijn gerechtigheid. Gij hebt Uw brandende toorn uitgezonden, vers 7. Het verderf van de Egyptenaren was des te meer merkwaardig vanwege hun hoogmoed en verwatenheid, en hun vreemde verzekerdheid van wel te slagen, vers 9 De vijand zei: Ik zal vervolgen. Hier is:
Ten eerste. Grote verwaandheid, als zij vervolgen, twijfelen zij er niet aan, of zij zullen achterhalen, en als zij achterhalen, twijfelen zij niet of zij zullen overwinnen, en zo'n beslissende overwinning behalen, dat zij de buit delen. Het is iets heel gewoons, dat de mensen zich het meest verheugen in de hoop op succes, als zij op het punt zijn van in het verderf te worden gestort, hetgeen hun verderf dan nog zoveel te meer vreeslijk maakt. Zie Jesaja 37:24, 25.
Ten tweede. Grote wreedheid, niets dan doden en vernielen, dat zal zijn lust bevredigen, en het is wel een zeer barbaarse lust, die slechts door zoveel bloed bevredigd kan worden. Het is een wrede haat, waarmee de kerk gehaat wordt, haar vijanden zijn bloeddorstig. Hiervan wordt nota genomen, om aan te tonen:
1. Dat God de hovaardigen weerstaat, en er behagen in schept hen te vernederen, die zich verheffen. Hij, die zegt: "ik wil, en ik wil of God wil of niet" zal te weten komen dat in hetgeen hij trots doet of onderneemt, God boven hem is. 2. Dat zij, die dorsten naar bloed, er genoeg van zullen hebben. Zij, die zo graag verwoesten, zullen verwoest worden, want wij weten wie gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden.
b. De bescherming en leiding van Israël, vers 13. Gij leidt door Uw weldadigheid dit volk, Gij hebt hen uitgeleid uit het diensthuis van Egypte, hen uitgeleid uit de gevaren van de Schelfzee, vers 19, maar de kinderen van Israël zijn op het droge in het midden van de zee gegaan. Het verderf van de goddelozen dient tot contrast van de verlossing van Israël, ten einde er het grote en heerlijke van te doen uitkomen, Jesaja 45:13-15
c. Hij beijvert zich om dit wonderbare verschijnen van God voor hen ten nutte te maken.
a.a. Om hen op te wekken om God te dienen in aanmerking hiervan, vers 2. Ik zal Hem een lieflijke woning maken. Daar God hen had bewaard en een schuilplaats voor hen had bereid waarin zij veilig en gerust waren, besluiten zij kosten noch moeite te sparen om een tabernakel op te richten tot Zijn eer, en daar zullen zij Hem verhogen en tot Zijn lof vermelden hoe Hij aan Farao verheerlijkt is geworden. Nu had God hen verhoogd, hen groot en verheven gemaakt, en daarom zullen zij Hem verhogen, door van Zijn oneindige grootheid en hoogheid te spreken. Het moet ons voortdurend streven zijn om door Zijn naam te loven en Zijn belangen te dienen, God te verhogen, en voor ons is het een voordeel, een bevordering om daarmee werkzaam te zijn.
b.b. Om hen aan te moedigen om op God te vertrouwen, zo overtuigd is deze psalmist van de gelukkige voltooiing van de verlossing, die zo roemrijk is begonnen, dat hij er op ziet als in werkelijkheid reeds volbracht, vers 13 "Gij hebt door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt, geleid) Gij hebt hen zachtkens door Uw sterkte tot de lieflijke woning van Uw heiligheid gevoerd. Gij hebt hen aldus op de weg er heen gebracht en te bestemder tijd zult Gij hen ook aan het einde van die weg brengen", want Gods werk is volkomen, of, Gij hebt hen geleid om in Uw heilige woning in de hemel Uw lof te zingen. God zal hen, die Hij onder Zijn hoede en leiding genomen heeft, tot Zijn heilige woning brengen, thans door het geloof, en weldra in de genieting er van.
Deze grote uitredding was in tweeërlei opzicht bemoedigend.
Ten eerste. Het was zo'n voorbeeld van Gods macht dat hun vijanden er door verschrikt en moedeloos zullen worden, vers 14-16. Het blote bericht van de nederlaag en het verderf van de Egyptenaren zal genoeg zijn om voor meer dan de helft al hun andere vijanden tenonder te brengen, hun moed zal er door terneer geslagen zijn, en dat zal zeer veel bijdragen om hun macht en hun invloed te vernietigen. De Filistijnen, de Moabieten de Edomieten en de Kanaänieten (Israël zal met ieder van deze volken te strijden hebben) zullen er door verschrikt worden en tot de gevolgtrekking komen, dat het tevergeefs is om tegen Israël te strijden, als een God van zodanige macht voor hen strijdt. Het had deze uitwerking, de Edomieten vreesden hen, Deuteronomium 2:4, evenzo ook de Moabieten, Numeri 22:3, en de Kanaänieten, Jozua 2:9, 10, 5:1. Aldus zond God Zijn schrik voor hun aangezicht Hoofdstuk 23:27, en heeft Hij de geest van de vorsten afgesneden.
Ten tweede. Het was zo'n begin van Gods gunst over hen, dat het hun een onderpand was van de voleindiging van Zijn goedheid. Dit was slechts voor nog iets meer, vers 17. Die zult Gij inbrengen. Als Hij hen aldus, in weerwil van hun onwaardigheid en de moeilijkheden op de weg van hun ontkoming, uit Egypte heeft gebracht, dan zal Hij hen ook in Kanaän brengen, want heeft Hij begonnen (aldus begonnen) en zal Hij niet voleinden? Onze ervaringen van Gods macht en gunst moeten gebruikt worden ter ondersteuning van onze hoop, "Gij hebt-en daarom kunt Gij niet slechts, maar, naar wij vertrouwen, zult Gij ook", is een goede wijze van redeneren.
Merk op: die zult Gij inbrengen en planten hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, welke Gij, o Heer, gemaakt hebt tot Uw woning. Het is goed wonen waar God woont, in Zijn kerk op aarde, Psalm 27:4, in Zijn kerk in de hemel, Johannes 17:24. Als Hij zegt: "Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid", dan moeten wij zeggen: "Laat het ook onze rust zijn."
Eindelijk. De vaste grond van de bemoediging, die zij aan dit wonderwerk ontlenen, is vers 18. De Heer zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren. Zij hadden nu het einde gezien van Farao's regering, maar de tijd zelf zal geen einde maken aan Jehovah's regering die, gelijk Hij zelf, eeuwig is, en aan geen verandering onderworpen. Het is de onuitsprekelijke vertroosting van alle getrouwe onderdanen van God, niet slechts dat Hij overal en met onbetwistbare soevereiniteit regeert, maar dat Hij eeuwig zal regeren, dat er aan Zijn heerschappij geen einde zal zijn.
II. Het plechtige zingen van dit lied, vers 20, 21. Mirjam, (of Maria, het is dezelfde naam) ging voor in een vergadering van de vrouwen, om naar de gewoonte van haar sekse in die tijd, als zij uitdrukking wilden geven aan een gevoel van blijdschap, met trommelen en met reien dit lied te zingen. Mozes hief de psalm aan met de mannen, en daarna Mirjam met de vrouwen, merkwaardige overwinningen plachten altijd door de dochters van Israël bezongen te worden, 1 Samuël 18:6, 7, en zo is ook deze overwinning bezongen. In Micha 6:4 wordt gezegd, dat Hij voor hun aangezicht heen gezonden heeft Mozes, Aäron en Mirjam, hoewel wij niet lezen dat Mirjam, behalve dit, iets merkwaardigs gedaan heeft. Maar diegenen worden een grote zegen geacht voor een volk, die hen voorgaan en helpen in het loven van God.