1. Daarna, nadat gij de tabernakel hebt opgericht en de wet van de dienst van het heiligdom zal gegeven zijn (
Exodus 40-Leviticus7) zult gij uw broeder Aäron en zijn zonen methem, tot u doen naderen uit het midden van de kinderen van Israël1) gij zult hen uit de menigte van het volk tevoorschijn laten treden tot u, die als mijn plaatsbekleder bij het heiligdom zult staan, om Mij met zijn zonen het priesterambt te bedienen, om uit Mijn hand het priesterlijk ambt te ontvangen (
Leviticus 8): a) namelijk Aäron, Nadab en Abihu, Eleßzar en Ithamar, de zonen van Aäron 2) (
hoofdstuk 6-23).
a) Hebreeën 5:4.
1) Nadat God, de Heere, de instellingen omtrent de heilige zaken heeft gegeven, gaat Hij over tot de instelling, omtrent de heilige personen. Hoogstwaarschijnlijk moesten, toen de tabernakel was afgewerkt, Aäron met zijn zonen, in tegenwoordigheid van de Oudsten van Israël, naderen tot aan de deur van de tent der samenkomst..
2) Israëls roeping en verhouding tot de wereld of de overige geslachten van de mensen is in Hoofdstuk 19:5,6 scherp en nauwkeurig afgetekend. In de woorden, waarvan de Heere zich daar bedient, zijn vier punten op te merken. 1. Israël is verkoren, van alle overige volken uit- en afgezonderd, opdat het niet zij, gelijk zij zijn; het is: 2. de Heere ten eigendom gegeven, opdat het Hem alleen toebehore en Hem diene; 3. in dit eigen zijn aan de Heere moet het heilig zijn, gelijk Hij zelf heilig is, opdat het met al zijn doen en laten, met zijn gehele geschiedenis aan de genadige bedoelingen van God dienstbaar en een bemiddelaar voor alle geslachten kan worden; 4. als heilig volk zal het nu ook tot de Heere mogen naderen en onmiddellijk met Hem verkeren, om Hem zijn gaven te brengen, en gaven van Hem te verkrijgen. Intussen juist daar, waar het van zijn eigen priesterlijk recht zou gebruik maken en God tegemoet zou treden, om van de berg af Gods openbaring te ontvangen, week Israël, door schrik en ontzetting aangegrepen, terug, onttrok zich aan zijn voorrecht, om de Heere onmiddellijk te naderen, en bekende zelf een bijzondere middelaar nodig te hebben, die het verkeer met de Heere onderhield (hoofdstuk 19:7; 20:18). Op zo'n erkentenis en belijdenis was ook de bedoeling van God met de geweldige donder en de bliksem en de overige tekenen van zijn ongenaakbare Majesteit gericht (hoofdstuk 20:20); daarom billijkte Hij uitdrukkelijk de woorden van het volk (Deuteronomium 5:28), en stelde Hij Mozes voor de tijd van de stichting en eerste openbaring van het verbond tot een middelaar; daarom stelde God tevens bij de wetgeving een bijzondere priesterstand in, die in de plaats van het volk tot Hem zou naderen en het verkeer met Hem voor de verdere tijden van de oudtestamentische bedeling zou onderhouden. Uit het gezegde blijkt vanzelf, dat de drie eigenschappen, welke tot het priesterlijk karakter in Israël behoorde, nu in de stand van de priesters in nog hogere graad en in volle mate moesten tevoorschijn treden; dat deze stand, wat het gehele volk in ruimere kring tegenover de wereld was, op bijzondere wijze in engere kring ten opzichte van het volk zelf zijn moest. Met andere woorden: Israëls religieuze waarde moest haar toppunt in zijn priesterstand en in deze haar volledigste uitwendige voorstelling bezitten, voornamelijk in het hoofd van de priesters, de hogepriester. Dit is dan ook werkelijk het geval, gelijk uit de woorden van Mozes blijkt, die hij bij gelegenheid van Korach's oproer sprak (Numeri 16:5): "Morgen vroeg, dan zal de Heere bekend maken, wie de Zijne en heilig is, die Hij tot zich zal doen naderen, en wie Hij verkoren zal hebben, die zal Hij tot zien doen naderen." Hier hebben wij de drie eerstgenoemde hoofdzaken weer bij elkaar, en daarbij het vierde, het offeren of naderen tot God. In hoeverre nu die drie hoofdzaken in het Aäronitische priesterschap in hogere graad zouden gevonden worden, toont ons hoofdstuk genoegzaam aan. Ten opzichte van 1e. het verkoren zijn, worden (Vers 1) Aäron en zijn zonen tot een afgesloten geheel onder het volk daardoor verheven, dat Mozes hen uit de kinderen van Israël tot zich nemen en hun het priesterambt toevertrouwen zou; de erfelijkheid van de priesterstand plantte dit verkoren zijn op ieder van Aärons nakomelingen in het bijzonder voor alle volgende tijden voort. Ten opzichte van het 2e. de Heere eigen zijn, zo lopen alle priesterwetten in het derde boek van Mozes daarop uit, dat zij met al hun werken en leven niet zichzelf toebehoren, niet eens een tijdelijke bezitting hebben, maar geheel aan de dienst van God gewijd, en zelfs met hun levensonderhoud aan hem alleen overgegeven moeten zijn. Ten opzichte van 3e. het heilig zijn, zo wordt, als insigne of uitwendig teken van deze aan het gehele volk geschonken waarde (Numeri 15:37) het dragen van kwasten en troetels, die met donkerblauwe snoeren aan de vier hoeken van het opperkleed moesten bevestigd worden, voor alle mannen in Israël bevolen; een nog meer uitstekende kleding, overeenkomstig de grotere mate van hun heiligheid verkrijgen dan ook de priesters, de alleruitstekendste echter wordt alleen de hogepriester toegedeeld, omdat in hem de priesterwaardigheid haar hoogste toppunt bereikt..
De wijze van het priesterlijk en hogepriesterlijk naderen tot God, wordt later in het derde boek van Mozes tot in bijzonderheden geregeld; het is een naderen alleen tot in het heilige bij de gewone priesters, een naderen tot in het allerheilige, de plaats van de onmiddellijke aanwezigheid van de Heere, bij de hogepriester op de grote Verzoendag. Maar ook dit gehele priesterschap, hoe hoog het zich boven het gewone priesterschap van Israël moge verheffen, is toch nog een zeer gebrekkig. Tot volkomenheid ontbreekt de zondeloosheid van degene, die het ambt bekleedt; hem ontbreekt bovendien, dat hij, die in de plaats van het volk voor de Heere, en in de plaats van de Heere voor het volk treden moet, in zijn persoon een werkelijke bemiddeling tussen beiden zou voorstellen, doordat hij in wezenlijke gemeenschap aan de ene zijde met God en aan de andere met het volk staat. Zo wijst het Aäronitische priesterschap zelf weer op iets hogers, als het doel, waarheen het streeft; dat is het hogepriesterschap van Christus, dat heilig en onbevlekt is, en de Godheid en mensheid in één verenigt..
Gelijk Jehova de tabernakel en naderhand de tempel heeft verkoren tot Zijn koninklijk paleis, zo heeft Hij ook Zijn rijks- en hoofdbedienden gehad, die een vrije toegang tot hem hadden, in Zijn paleis en tegenwoordigheid steeds verkeren en Zijn dienst waarnemen.. Het Hebreeuwse woord (Cohen), betekent, zoals uit het Arabisch blijkt, eigenlijk een administrateur van andermans zaak, iemand, die de zaken van een ander in orde brengt. Vandaar de betekenis van priester, als iemand, die optreedt voor de mens bij God..