1 Corinthiërs 10:1-5
Ten einde de Corinthiërs terug te houden van gemeenschap met afgodendienaars en hen zo voor zondige daden te bewaren, stelt hij hun het voorbeeld voor ogen van de Joden, de kerk onder het Oude Verbond. Zij genoten grote voorrechten, maar door zich schuldig te maken aan gruwelijke tergingen, haalden zij zeer zware straffen over zich. In deze verzen noemt hij hun voorrechten op, die in hoofdzaak dezelfde zijn als de onze.
I. Hij vangt deze afdeling van den brief aan met een woord van achting: En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt. Ik wil niet dat ge omtrent deze zaak onwetende zijt, want ze is uw kennis en aandacht beide waard. Het is een zeer bijzondere en leerrijke geschiedenis. Het Jodendom was omsluierd Christendom, gewikkeld in typen en duistere aanwijzingen. Het Evangelie was hun verkondigd in die wettelijke plechtigheden en offeranden. En de voorzienigheid Gods over hen, zowel als hetgeen niettegenstaande deze voorrechten gebeurde, mogen en moeten ons tot waarschuwing dienen.
II. Hij noemt enige van die voorrechten op. Hij begint:
1. Met hun verlossing uit Egypte. Onze vaders, dat is de voorvaderen van ons, Joden, waren allen onder de wolk, en zijn allen door de zee doorgegaan. Zij waren allen onder de goddelijke beschutting en leiding. De wolk diende tot beide doeleinden, nu eens trok zij zich samen tot een wolkpilaar, die aan de ene zijde hen bescheen om hun den weg te wijzen en aan de andere zijde donker was om hen te bedekken voor de vervolging door hun vijanden, dan weer spreidde ze zich over hen uit als een machtig schild, om hen te beschermen tegen de brandende zon in de zandwoestijn, Psalm 105:39.. Zij werden wonderdadig geleid door de Rode Zee, waarin de hen vervolgende Egyptenaren verdronken, die was voor hen een weg, maar voor de anderen een graf, een geschikte afbeelding van onze verlossing door Christus, die ons behoudt door het overwinnen en vernietigen van Zijne en onze vijanden. Zij waren Gode zeer dierbaar, en deelden zeer in Zijn gunst, dat Hij zulke wonderen wilde verrichten tot hun redding en hen zo onmiddellijk onder Zijn leiding en bescherming wilde nemen.
2. Zij hadden sacramenten gelijk de onze.
A. Allen zijn in Mozes gedoopt in de wolk en in de zee, vers 2, of tot Mozes, dat is: zij werden gebracht onder verplichting aan Mozes' wet en verbond, zoals wij door den doop onder de wet en het verbond van Christus gesteld zijn Het was voor hen afschaduwing van den doop.
B. Zij hebben allen dezelfde geestelijke spijze gegeten en allen dezelfden geestelijken drank gedronken, die wij ook hebben. Het manna, waarmee zij gevoed werden, was een afschaduwing van den gekruisigden Christus, het brood dat uit den hemel is nedergedaald, waardoor ieder die het eet, eeuwig leeft. Hun drank was een stroom, ontsproten uit de rots, welke hun op al hun tochten door de wildernis volgde, en deze rots was Christus, dat is in afschaduwing en voorbeeld. Het is de rots, op welke de Christelijke kerk is gegrondvest, en door den stroom, die uit Hem ontspringt, worden al Zijn gelovigen gedrenkt en verkwikt. Welnu, alle Joden aten dit voedsel en dronken uit dezen rotssteen, hier genoemd: de geestelijke steenrots, omdat hij geestelijke dingen afschaduwde. Dat waren grote voorrechten. Men zou denken, dat allen daardoor behouden werden, dat allen, die dit geestelijk voedsel aten en dezen geestelijken drank dronken, heilig en Gode aannemelijk zouden geweest zijn. Toch is dit het geval niet. Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad, want zij zijn in de woestijn terneder geslagen, vers 5. Men kan in deze wereld vele en grote geestelijke voorrechten genieten, en toch het eeuwige leven derven. Menigeen van hen, die in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee, dat is, wier geloof in zijn goddelijke zending door deze wonderen werd bevestigd, is nedergeslagen in de woestijn en zag nooit het Heilige Land. Niemand mag zich verheffen op zijn grote voorrechten of belijdenis van de waarheid, deze verzekeren hem de hemelse gelukzaligheid niet en voorkomen hier op aarde geen oordelen, tenzij de wortel van de zaak in ons is.