Exodus 25:1-9
Wij kunnen veronderstellen dat Mozes toen hij in het midden van de wolk ging en zo lang verbleef, waar de heilige engelen de Shechina, of Goddelijke majesteit, vergezelden, zeer heerlijke dingen zag en hoorde betreffende de bovenwereld, maar het waren dingen, die het niet geoorloofd of mogelijk is uit te spreken, en daarom heeft hij in het bericht omtrent de handelingen aldaar, niets gezegd om de nieuwsgierigheid te bevredigen van hen, die willen intreden in dingen, die zij niet gezien hebben maar alleen datgene geschreven, wat hij tot de kinderen Israëls zeggen moest. Want de Schrift is bestemd om ons te besturen in onze plicht niet om ons hoofd te vullen met bespiegelingen, of onze verbeelding te strelen.
In deze verzen geeft God aan Mozes Zijn bedoeling te kennen in het algemeen, dat de kinderen Israëls Hem een heiligdom zouden bouwen, daar Hij van plan is onder hen te wonen, vers 8, en sommigen denken, dat er tevoren wèl altaren en bosjes waren, die gebruikt werden voor de Godsverering, maar dat er onder geen volk of natie een huis of tempel gebouwd was voor zulke heilige doeleinden, eer deze tabernakel door Mozes werd opgericht, en dat al de tempels, die naderhand zo beroemd zijn geworden onder de heidenen, door deze tabernakel ontstaan zijn, en naar het model ervan werden gebouwd. God had het volk van Israël verkoren om Hem een bijzonder volk te zijn (boven alle andere volken) onder wat een Goddelijke openbaring en, in overeenstemming daarmee, een eredienst gevestigd zou worden, terwijl Hij zelf hun Koning zou wezen. Als hun Koning had Hij hun reeds wetten gegeven voor hun regering, en voor hun gedrag en handelingen ten opzichte van elkaar met enige algemene regelen voor de Godsverering naar het licht van de rede en van de wet van de natuur, in de tien geboden en de daarop volgende verklaring ervan. Maar dit werd niet voldoende geacht om hen van andere volken te onderscheiden, of om te beantwoorden aan de volle uitgestrektheid van het verbond, dat God met hen zou aangaan om hun God te zijn en daarom:
Beveelt Hij dat een koninklijk paleis voor Hem zou opgericht worden onder hen, dat hier een heiligdom, of heilige plaats, of woning, genoemd wordt, waarvan gezegd is in Jeremia 17:12 :"Een troon der heerlijkheid", een hoogheid van het eerste aan, is de plaats van ons heiligdom. Dit heiligdom moet beschouwd worden:
Als behorende tot het ceremonieel van de kerkelijke instellingen in overeenstemming met die bedeling, welk bestond in vleselijke inzettingen Hebreeën 9:10, vandaar dat het een werelds heiligdom genoemd wordt, Hebreeën 9:1. God heeft er als Israëls Koning Zijn hof in gehouden.
a. Daar heeft Hij Zijn tegenwoordigheid onder hen geopenbaard, en het was bestemd om een teken te zijn van Zijn tegenwoordigheid, opdat, zolang dit in hun midden was, zij nooit meer zouden vragen: Is de HEERE in ons midden, of niet? En daar zij in de woestijn in tenten woonden, werd bevolen dat zelfs dit koninklijk paleis een tabernakel zou zijn, opdat het met hen zou kunnen gaan, en een voorbeeld zou zijn van de neerbuigendheid van de Goddelijke gunst.
b. Daar gebood Hij Zijn onderdanen Hem hun opwachting te maken met hun hulde en offers. Daarheen moesten zij gaan om Zijn orakelen te raadplegen, daar moesten zij Hem offers brengen, en daar moest heel Israël samenkomen om de God Israëls gezamenlijk eer te bewijzen. Als typisch de heilige plaatsen met handen gemaakt, waren een tegenbeeld van het ware, Hebreeën 9:24 De Evangeliekerk is de ware tabernakel, welke de HEERE heeft opgericht, en geen mens, Hebreeën 8:2 Het lichaam van Christus, in en door wat Hij verzoening gedaan heeft was de meerdere en volmaaktere tabernakel, Hebreeën 9:11. Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, als in een tabernakel.
Toen nu Mozes dit paleis zou oprichten, was het nodig, dat hij eerst instructies zou ontvangen ten opzichte vanwaar hij de materialen zou verkrijgen en vanwaar het voorbeeld of model, want hij kon dat paleis niet bouwen door zijn eigen vernuft en niet op zijn eigen kosten, daarom worden hem hier voor beide zaken aanwijzingen gegeven.
Het volk moet hem voorzien van de materialen, niet door een hun opgelegde belasting, maar door een vrijwillige bijdrage. Dat is de eerste zaak, betreffende welke hier orders gegeven worden, vers 2. "Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij voor Mij een hefoffer nemen", en zij hadden alle mogelijke redenen om dit te doen, want:
Het was God zelf, die hen niet alleen bevrijd had, maar verrijkt met de roof van de Egyptenaren, Hij had hun gezegd gouden en zilveren vaten van hen te eisen, en Hij had het hart van de Egyptenaren bewogen om ze hun te geven, zodat zij van Hem hun rijkdom hadden, daarom was het raadzaam, dat zij die rijkdom Hem zouden wijden, voor Hem zouden gebruiken, en aldus dankbaar de gunsten zouden erkennen, die zij ontvangen hadden. Het beste gebruik, dat wij van onze wereldlijke rijkdom kunnen maken is: God er mee te eren in werken van Godsvrucht en barmhartigheid. Als wij gezegend worden met bijzondere voorspoed in onze zaken, dan kan met recht verwacht worden, dat wij iets meer doen dan gewoonlijk voor de eer van God, en onze winst, in een evenredig deel er van, aan de HEERE van de hele aarde zullen wijden, Micha 4:13.
Het heiligdom, dat gebouwd stond te worden, was bestemd voor hun welzijn, hun geestelijk welvaren, en daarom behoorden zij er de kosten van te dragen. Zij zouden het voorrecht onwaardig zijn, indien zij onwillig waren er de last van te dragen. Zij konden echt wel vrijgevig zijn voor de eer van God, daar zij geheel kosteloos woonden, en er dagelijks voor hen en hun gezin voedsel uit de hemel regende. Ook wij moeten erkennen dat wij alles van Gods milddadigheid ontvangen, en dus alles ter Zijner eer moeten gebruiken. Daar wij van Hem leven, behoren wij voor Hem te leven.
Deze offeranden moeten gewillig en van harte gegeven worden. Dat is: Er werd hun niet voorgeschreven wat of hoeveel zij moesten geven, het werd overgelaten aan hun grootmoedigheid, opdat zij hun liefde zouden kunnen tonen voor het huis Gods en de dienst er van, en het doen zouden met een heilige wedijver, en opdat de ijver van weinigen velen zou verwekken, 2 Corinthiërs 9:2. Wij moeten niet slechts vragen: "Wat moeten wij doen?" maar: "Wat mogen wij doen voor God?" Wat zij gaven moesten zij blijmoedig geven, niet met tegenzin en morren, want God heeft een blijmoedige gever lief, 2 Corinthiërs 9:7. Wat wij voor de dienst van God uitgeven, moeten wij achten goed besteed te zijn.
Er wordt hier in bijzonderheden genoemd welke dingen gegeven moeten worden, vers 3-7, het zijn zaken, die alle voor de tabernakel benodigd zijn, en voor de dienst ervan. Sommigen maken de opmerking, dat er goud, zilver en koper moest wezen, maar geen ijzer, want dat is een oorlogsmetaal, en dit moest een huis des vredes wezen. Alles wat gegeven werd, was zeer kostbaar en fraai en van het beste in zijn soort, want God, die de beste is moet het beste hebben.
God zelf zal hem voorzien van het voorbeeld, het model, vers 9. "Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels, en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzo zult gijlieden dat maken". God toonde er hem een nauwkeurig plan van in miniatuur waaraan hij zich in alle bijzonderheden heeft te houden. Zo heeft Ezechiël in een visioen de vorm van het huis en zijn gestalte gezien, Ezechiël 43:11. Al wat in de dienst van God gedaan wordt, moet naar Zijn aanwijzing gedaan worden, en niet anders. Maar God heeft hem niet alleen het model getoond, maar hem ook gezegd hoe de tabernakel te formeren overeenkomstig dat model, in alle delen er van waarover hij in dit en de volgende hoofdstukken duidelijk handelt. Toen Mozes aan het begin van Genesis de schepping van de wereld moest beschrijven, heeft hij, hoewel zij zulk een groots wonderbaar gebouw is, bestaande uit zo'n groot aantal en zo'n grote verscheidenheid van bijzonderheden, er toch slechts een zeer kort en algemeen bericht van gegeven, niets, in vergelijking met wat de wijsheid van deze wereld verlangd en verwacht zou hebben van iemand, die door Goddelijke openbaring heeft geschreven, maar als hij er toe komt om de tabernakel te beschrijven, dan doet hij het met de grootst-mogelijke nauwkeurigheid. Hij, die ons geen bericht gaf van de lijnen en cirkels van de aardbol, van de diameter van de aarde, van de hoogte en de grootte der sterren, heeft ons zeer bijzonder en nauwkeurig de maat opgegeven van iedere plank en elk gordijn van de tabernakel, want Gods kerk en ingestelde eredienst zijn Hem kostelijker en van meer belang dan al het overige van de wereld. En de Schriften zijn geschreven, niet om de werken de natuur te beschrijven-een algemene beschouwing ervan is voldoende om ons tot de kennis en de dienst van de Schepper te leiden-maar om ons bekend te maken met de methoden van de genade en de dingen, die zuiver en alleen zaken zijn van Goddelijke openbaring. De zaligheid van de toekomstige staat is meer ten volle voorgesteld onder het denkbeeld van een nieuw Jeruzalem, dan onder het denkbeeld van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.