1. Gij zult ook een altaar 1) maken van sittimhout, een draagbare kast, die met aarde of onbehouwen steen kan gevuld worden en dan een werkelijk altaar zal vormen; vijf el zal de lengte zijn en evenzo vijf el de breedte, (vierkant2) zal dit altaar zijn) (
hoofdstuk 30:2) en drie el zijn hoogte, evenals de gouden kandelaar (
hoofdstuk 25:31).
1) Het zoenaltaar was van sittimhout (een fijn en zeer duurzaam soort van cederhout) met koper beslagen, met een koperen netwerk overdekt en van binnen gevuld met ruwe stenen. Hout en koper waren slechts om de vorm, de stenen maakten de eigenlijke stof van het altaar uit. Zij moesten ongesneden zijn: "Zie toe, dat gij uw houwijzer (beitel) daarover niet verheft; want niets mocht de menselijke hand toedoen tot het verzoeningswerk, dat op het altaar werd afgebeeld. Steen, vuur en bloed, dat was alles; terwijl aan de vier zijden vier uitstekende hoornen van koper waren aangebracht, als zinnebeelden van de gemeenschap, van de kracht en van de overvloedige genade, opdat een ieder, die schuldig, veroordeeld en van de wrekers vervolgd was, door het aangrijpen van een van deze hoornen in gemeenschap zou komen met het offer van de verzoening, en veilig en vrij zou zijn, zolang hij daar bleef. (Vergelijk de geschiedenissen van Joab en Adonia)
Wij hebben het ons zo voor te stellen, dat wat de Heere hier aan Mozes beveelt te maken, het uitwendige is van het altaar, de kast, die het altaar van aarde of van onbehouwen steen (Exodus 20:24,25) zal omsluiten. Alleen het altaar in de tabernakel mocht zo zijn. Wanneer men buiten de tabernakel een altaar oprichtte. mocht het zo wezen als in Exodus 20 wordt aangegeven..
Het zoenaltaar was een schaduw van Christus God en mens. God vertoonde daarin het schilderij van de wraak en van de vrede, van de vloek zowel als van de vergeving. Het vuur (van Gods toorn) brandde onophoudelijk op dat altaar; vlees en bloed werden erdoor verteerd, maar het altaar zelf niet (Psalm 40). Christus is dat altaar, waarvan geen macht hebben te eten degenen, die de tabernakel dienen (Hebreeën 13:10-13). God heeft van al onze ongerechtigheid op Hem doen aanlopen, en uit Zijn volheid ontvangt niet die werkt, noch die loopt, maar die uit genade gerechtvaardigd wordt door de ontfermende God..
2) Het altaar moest vierkant zijn. Ook dit was niet zonder bedoeling. Daardoor toch werd afgebeeld, dat van alle vier einden van de aarde men mocht komen, om bij dit altaar de verzoening van de zonde te zien en te ervaren. Daarom was aan alle vier hoeken een hoorn, opdat men die hoorn tot behoud kon aangrijpen.. 2. En gij zult zijn hoornen, naar de hoornen van stieren gevormde punten van hetzelfde hout maken op zijn vier hoeken; uit hetzelfde altaar zullen zijn hoornen zijn, als eruit tevoorschijn groeiende, en dus niet daarvan weg te nemen, en gij zult het van buiten en binnen met koper overtrekken, 1) evenals ook zijn vier hoornen.
1) Aan de vier hoornen, die uit de vier hoeken tevoorschijn traden, werden de offerdieren gebonden, zoals uit de Psalm (118:27) blijkt: "Bindt het offerdier met touwen tot aan de hoornen van het altaar." En dit is ook het beginsel van de echte aanbieding ten opzichte van de geestelijke offeranden, dat alle ijdelheid van het vlees wordt weggedaan en als het ware gevangen gelegd, om God te gehoorzamen. Waarom zelfs Christus, ofschoon Hij in zichzelf niets dan in alles de rechte maat hield, is gebonden geweest, opdat Hij Zijn gehoorzaamheid zou bewijzen, zoals hij gezegd had: "Niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde." (Mattheus 26:39).
Er is hier van een vorm sprake, die het volgens in hoofdstuk 20:24, uit aarde of ongehouwen stenen op te richten altaar omsluiten en daaraan de door God bedoelde vorm geven moet. Deze vorm is geregeld naar de getallen drie en vijf; terwijl het getal drie van de hoogte op hem wijst, aan wie de offers op het altaar gebracht worden, betekent het getal vijf van de breedte en lengte, dat dit gereedschap tot de voorhof, de plaats van het volk behoort; vijf is namelijk het getal, dat de maat in de voorhof is: vijf in getal waren de zuilen, die het heiligdom aan de zijde van de voorhof afsloten (hoofdstuk 26:37), vijf is meermalen de maat (hoofdstuk 27:12). Dit getal is de helft van tien en zal aanwijzen, dat het volk, dat in de voorhof zijn godsdienst verricht, nog niet tot volkomenheid van de juiste verhouding tot God gekomen is; het is echter met zijn offers en gaven op de weg daarheen, waarom de maat van de voorhof weer naar het getal tien, het teken van een in zich afgesloten goddelijk geheel neigt (hoofdstuk 27:9). Gelijk wij reeds vroeger opmerkten (zie Genesis 8:20) is het altaar volgens zijn bedoeling een verheffing van de aarde boven haar gewone oppervlakte; want sedert de val in het bijzonder, sedert de zondvloed, zijn hemel en aarde van elkaar gescheiden. God wandelt niet meer als voorheen in voortdurend verkeer met de mensen; de mens moet, veeleer Zich tot Hem van de aarde verheffen, wanneer hij aan Hem zijn gaven wil brengen, en God moet van de hemel neerdalen, en zich aan de mensen te openbaren. Evenals nu de mens, door het oprichten van een altaar, dit werkelijk doet, zich van de met de vloek beladen aarde verheft, om God nader te treden, zo stijgt ook God van Zijn zijde, in de godsdienstige instellingen, die Hij gegeven heeft, tot de mens af, biedt hem Zijn hand, schenkt hem Zijn hulp; het zinnebeeld van deze van boven zich aanbiedende macht en hulp zijn de hoornen (Psalm 18:3), waarmee het altaar versierd is. Aan deze wordt het bloed van het zoenoffer gestreken (Leviticus 4:25) en daarmee als het ware God in de hand gelegd; wie in het heiligdom een toevluchtsplaats zocht en deze aangreep, was daar veilig voor de hem vervolgende wreker, want hij was nu in Gods hand, waaruit niemand hem rukken kon. (1 Kon.1:51; 2:28).