Exodus 3:1-6
De jaren van het leven van Mozes zijn op merkwaardige wijze verdeeld in drie veertigtallen. Het eerste veertigtal bracht hij door als een prins aan Farao's hof, het tweede als een herder in Midian, het derde als koning in Jeshurun, zo veranderlijk is het leven van de mensen, speciaal van Godvruchtige mensen. Zijn tweede veertigtal had hij nu voleindigd, toen hij de opdracht ontving om Israël uit te voeren uit Egypte. Het duurt soms lang eer God Zijn dienstknechten roept tot het werk, dat Hij vanouds voor hen bestemd had, en waarvoor Hij hen genadig heeft toebereidt Mozes was geboren om Israëls bevrijder te zijn, en toch wordt hem geen woord hiervan gezegd, vóór hij tachtig jaar oud is. Merk nu op:
I. Hoe deze verschijning van God hem bezig vond, hij hoedde de kudde, dat is: weidde de schapen, dicht bij de berg Horeb. Een armzalig werk voor een man van zijn opvoeding en gaven, toch is hij er tevreden mee, en zo leert hij in hoge mate nederig en zachtmoedig te zijn, waardoor hij in de Heilige Schrift meer beroemd is geworden dan door al zijn geleerdheid. In het beroep of bedrijf, waartoe wij geroepen zijn, behoren wij te blijven, en niet naar verandering te haken. Zelfs diegenen, die bekwaam en bevoegd zijn voor hoge ambten en gewichtige diensten, moeten het niet vreemd achten dat zij leven in armoede en onbekendheid, het is voor hen het lot geweest van Mozes, die niets anders heeft kunnen verwachten, dan dat hij zou sterven zoals hij vele jaren geleefd heeft, namelijk als een arm gering schaapherder. Laat hen, die denken als levend begraven te zijn, tevreden wezen om als een lamp of kaars licht te geven in hun graf, en wachten totdat Gods tijd komt om die kaars op een kandelaar te stellen. Aldus werkzaam zijnde, werd Mozes geëerd en verwaardigd met dit visioen. God zal ijverigheid altijd aanmoedigen. Toen de herders de nachtwacht hielden over hun kudde, Lukas 2:8, ontvingen zij het bericht van de geboorte van de Zaligmaker. Satan bemint het ons lui en ledig te vinden, maar God behaagt het ons aan het werk te vinden. Afzondering is erg bevorderlijk-aan gemeenschap met God. Als wij alleen zijn, is de Vader met ons. Mozes zag meer van God in een woestijn, dan hij ooit aan Farao's hof van Hem gezien had.
II. Wat de verschijning was. Tot zijn grote verwondering zag hij een braambos branden, zonder vuur te zien, hetzij van de hemel of van de aarde, om het aan te steken, en wat nog het vreemdste was: het brandde maar werd niet verteerd, vers 2. Het was een Engel des HEEREN, die hem verscheen. Sommigen denken dat het een geschapen engel was, die in de taal sprak van Hem, die hem zond, anderen, dat het de tweede persoon was in de Goddelijke Drieëenheid, de Engel des verbonds, die zelf Jehovah is. Het was een buitengewone openbaring van de Goddelijke tegenwoordigheid en heerlijkheid, wat zichtbaar was werd voortgebracht door de dienst van een Engel, maar hij hoorde er God in spreken tot hem.
1. Hij zag een vlam van vuur, want onze God is een verterend vuur. Toen aan Abraham Israëls verlossing uit Egypte beloofd was, zag hij een vurige fakkel, of brandende lamp, wat het licht van de blijdschap betekende, welke door die verlossing veroorzaakt werd, Genesis 15:17, maar nu schijnt dit licht helderder, als een vlam van vuur, want in die verlossing bracht Hij schrik en verderf voor Zijn vijanden, licht en warmte aan Zijn volk, en spreidde Hij Zijn heerlijkheid tentoon voor allen, zie Jesaja 10:17.
2. Dit vuur was niet in een statige, hoge cederboom, maar in een braambos, een doornig bos, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord, want God verkiest het zwakke en verachte van de wereld, zoals Mozes, die nu een arme schaapherder was, om er de wijzen mee te beschamen, Hij verlustigt zich er in het nederige te versieren en te kronen. 3. Het braambos brandde, maar werd niet verteerd, een zinnebeeld van de kerk, die nu in dienstbaarheid was in Egypte, brandende in de tichelovens, maar toch niet verteerd, twijfelmoedig, doch niet mismoedig, neergeworpen, doch niet verdorven.
III. Mozes' begeerte om dit buitengewone gezicht te bezien, vers 3. "Ik zal mij nu daarheen wenden en bezien". Hij spreekt als iemand, die een stoutmoedige, onderzoekende geest heeft. Wat het ook mocht wezen, hij wilde er de betekenis van kennen. De geopenbaarde dingen zijn voor ons, en wij behoren er een nauwkeurig onderzoek naar in te stellen.
IV. De uitnodiging, die hij ontving, om naderbij te komen, maar met de waarschuwing om niet al te dicht te naderen, en niet te roekeloos.
1. God heeft hem genadig geroepen waarop hij bereidvaardig antwoordde, vers 4. Toen God zag, dat hij het branden van het braambos opmerkte en zich daarheen wilde wenden om het te zien, en daarvoor zijn werk verliet, toen heeft God hem geroepen. Indien hij er onverschillig voor was geweest, er geen acht op had geslagen denkende, dat het een "ignis fatuus-een dwaallicht" was, iets, dat niet de moeite waard was om er kennis van te nemen, dan zou God waarschijnlijk heengegaan zijn zonder iets tot hem te zeggen, maar toen hij zich daarheen wendde, riep God hem. Zij, die gemeenschap willen hebben met God, moeten acht op Hem geven en tot Hem naderen in de inzettingen, waarin het Hem behaagt zich en Zijn macht en heerlijkheid te openbaren, zij moeten tot de schat komen, al is die ook in een aarden vat. Zij, die God echt zoeken, zullen Hem vinden, Hem vinden als hun beloner. Komt tot God, en Hij zal tot u komen. God riep hem bij zijn naam: "Mozes Mozes!" Wat hij hoorde moest hem nog meer verwonderen dan wat hij zag. Het woord des HEEREN ging altijd gepaard aan de heerlijkheid des HEEREN, want ieder Goddelijk visioen was bestemd voor een Goddelijke openbaring, Job 4:16 en verv, 33:14-16 De roepingen Gods zijn krachtdadig:
a. Als de Geest van God ze tot een particuliere roeping maakt en ons bij name roept. Het woord roept: "O alle gij dorstigen!" Door de toepassing hiervan roept de Geest: O gij, die of die! "Ik ken u bij name", Exodus 33:12. :
b. De roepingen Gods zijn krachtig, als wij er gehoorzaam op antwoorden, zoals Mozes hier: "Zie, hier ben ik!", wat spreekt mijn HEERE tot Zijn knecht? Hier ben ik, niet slechts om te horen wat gezegd wordt, maar om te doen wat mij wordt bevolen."
2. God gaf hem een nodige waarschuwing tegen roekeloosheid en oneerbiedigheid in zijn naderen.
a. Hij moet op een afstand blijven, nader komen maar niet al te nabij, zo nabij, dat hij kan horen, maar niet zo nabij om te kunnen gluren, zijn weetgierigheid moet bevredigd worden, maar niet zijn nieuwsgierigheid, en er moet worden zorggedragen, dat gemeenzaamheid geen vrijpostigheid teweegbrengt. Bij al ons naderen tot God behoren wij een diep besef te hebben van de oneindige afstand tussen ons en God, Prediker 5:1. Of, dit kan ook beschouwd worden als eigen te zijn aan de Oud Testamentische boodschap, die een boodschap was van donkerheid, dienstbaarheid en verschrikking, waarvan het Evangelie ons gelukkig heeft bevrijd, daar het ons vrijmoedigheid geeft om in te gaan in het heiligdom en ons nodigt naderbij te komen. b. Hij moet zijn eerbied tonen en zijn bereidvaardigheid om te gehoorzamen: "trek uw schoenen uit van uw voeten", als een dienstknecht, het uittrekken van de schoenen was toen wat het afnemen van de hoed nu is: een teken van eerbied en onderdanigheid. "De plaats, waar gij op staat" is-voor het ogenblik- heilig land, heilig gemaakt door deze bijzondere openbaring van de Goddelijke tegenwoordigheid aldaar, en treed dus, zolang deze duurt, niet met uw verontreinigde schoenen op dat land." Bewaar uw voet, Prediker 4:17. Wij behoren met plechtige toebereiding tot God te naderen en ofschoon de lichamelijke oefening tot weinig nut is, moeten wij toch God verheerlijken met ons lichaam en door een ernstige en eerbiedige houding bij de aanbidding van God door onze innerlijke eerbied te kennen geven, alles zorgvuldig vermijdende wat lichtvaardig of ruw schijnt, en niet in overeenstemming is met het ontzaglijke van de eredienst van God.
V. De plechtige bekendmaking door God van Zijn Naam, waarbij Hij aan Mozes bekend wilde zijn, vers 6. "Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob."
1. Hij laat hem weten dat het God is, die met hem spreekt, ten einde hem op te wekken tot eerbied en aandacht, tot geloof en gehoorzaamheid, want om die allen op te wekken is dat een woord genoeg: "Ik ben de HEERE." Laat ons altijd het Woord horen, als zijnde Gods Woord, 1 Thessalonicenzen 2:13.
2. Hij wil gekend zijn als de God van zijn vaders, zijn Godvruchtige vader Amram, en de God van Abraham, Izak en Jakob, de God van zijn voorvaderen en van Israëls voorvaderen, voor wie God thans zal verschijnen. Hiermede bedoelde God:
a. Mozes te onderrichten in de kennis van een andere wereld, en zijn geloof te versterken in een toekomstigen staat. Aldus wordt dit uitgelegd door onze Heere Jezus, de beste Schriftverklaarder, die daaraan het bewijs ontleent tegenover de Sadduceën, dat de doden opgewekt zullen worden. Mozes heeft het aangewezen bij het doornenbos, zegt Hij, Lukas 20:37, dat is: "God heeft het hem daar aangewezen, en, in hem, aan ons," Mattheus 22:31 en verv. Abraham was dood, en toch is God de God van Abraham, dus leeft Abrahams ziel, met welke God in betrekking staat, en om zijn ziel volkomen gelukkig te maken, moet ter bestemder tijd zijn lichaam herleven. De belofte gedaan aan de vaderen, dat God hun God zei zijn, moet een toekomende zaligheid insluiten, want in deze wereld heeft Hij nooit iets voor hen gedaan, dat volkomen beantwoordt aan het uitgestrekte en veelomvattende van dat grote woord, maar nu Hij hun een stad bereid heeft schaamt zich God hun niet om hun God genoemd te worden, Hebreeën 11:16, zie ook Handelingen 26:6, 7, 24:15.
b. Om aan Mozes de verzekering te geven van de vervulling van al die bijzondere beloften, gedaan aan de vaderen, hij kan er gerust staat op maken, want uit deze woorden blijkt, dat God gedacht aan Zijn Verbond, Hoofdstuk 2:24. Gods Verbondsbetrekking tot ons als onze God is onze beste steun in de slechtste tijden en een grote aanmoediging voor ons geloof in bijzondere beloften. Als wij ons bewust zijn van onze eigen grote onwaardigheid, dan kunnen wij troost verlangen uit Gods betrekking tot onze vaderen, 2 Kronieken 20:6.
Vl. De plechtige indruk, die dit op Mozes gemaakt heeft, hij verborg zijn aangezicht, als iemand die zich schaamt, en ook bevreesd is God aan te zien. Nu hij wist dat het een Goddelijk licht was, werden zijn ogen er door verblind. Hij was voor het brandend braambos niet bang, voor hij er God in bemerkte. Ja, hoewel God zich de God van zijn vaders noemde, een God in verbond met hem, was hij toch bang. Hoe meer wij van God zien, hoe meer reden wij zullen zien om Hem met eerbied en Godvruchtigheid te aanbidden. Zelfs de openbaringen van Gods genade en verbondsliefde moeten onze ootmoedige eerbied voor Hem vermeerderen.