Spreuken 4:14-19
Sommigen achten dat Davids onderricht aan Salomo, dat begon in vers 4, voortgaat tot aan het einde van het hoofdstuk, ja volgens sommigen gaat dit voort tot aan het einde van het negende hoofdstuk, maar het is waarschijnlijker dat Salomo hier weer begint, indien niet reeds vroeger. Hij had in deze verzen ons vermaand om te wandelen in de paden van de wijsheid, en nu waarschuwt hij ons tegen de paden van de goddelozen.
1. Wij moeten ons inachtnemen voor de wegen van de zonde en ze mijden, alles wat op zonde gelijkt en er toe leidt.
2. Te dien einde moeten wij uit de weg blijven van de zondaren en geen gemeenschap met hen hebben. Uit vrees om in kwade praktijken te vervallen, moeten wij kwaad gezelschap schuwen. Hier is:
I. De waarschuwing zelf, vers 14, 15.
1. Wij moeten ons er voor wachten om samen te komen met zondaren. Kom niet op het pad van de goddelozen. Onze onderwijzer had, als een getrouwe gids, ons de rechte sporen getoond, vers 11, nu waarschuwt hij ons tegen de bijpaden, Waarop wij gevaar lopen van afgeleid te worden. Laat hen, die een goede opvoeding hebben genoten, aan wie de eerste beginselen geleerd zijn naar de eis huns wegs, er nooit van afwijken naar de weg, waarop zij niet moeten gaan, laat hen daar niet eens een voet op zetten, ja het niet eens beproeven, want het zou een gevaarlijke proefneming kunnen zijn, en het zou zeer moeilijk blijken om er veilig van terug te komen. Waag u niet in het gezelschap van hen, die met de pest besmet zijn, neen, al zoudt gij u ook door een tegengif beveiligd achten.
2. Indien wij te eniger tijd op een boze weg gelokt zijn dan moeten wij ons haasten om hem te verlaten. "Indien gij eer gij het wist, de poort zijt binnengegaan, omdat hij wijd was, treed dan toch niet op de weg van de bozen. Ga, zodra gij uw vergissing bemerkt, terstond terug, doe geen stap verder, blijf geen minuut langer op de weg, die gewis ten verderve vaart.
3. De wegen van de zonde en van de zondaren moeten wij vrezen en verfoeien en ze met de uiterste zorg mijden. De weg van de bozen kan een aangename en gezellige weg schijnen te zijn, en de naaste weg om tot een wereldlijk doel te geraken dat wij op het oog hebben, maar het is een boze weg en zal kwaad eindigen, en daarom: indien gij uw God liefhebt en uw ziel liefhebt, verwerp hem, ga er niet door, opdat gij niet in verzoeking zijt om er op te wandelen, en verwijder er u van zo ver als gij kunt. De wijze van uitdrukking geeft het dreigend, nakend gevaar te kennen waarin wij zijn, hoe nodig deze waarschuwing ons is, en het grote belang en gewicht ervan, en dat onze wachters in goede ernst zijn, of behoren te wezen, als zij ons die waarschuwing geven. Het geeft ook te kennen op welk een afstand wij ons van zonde en zondaren moeten houden. Hij zegt niet: houd u op een behoorlijke afstand ervan, maar op een grote afstand, hoe verder weg, hoe beter. Denk nooit dat gij er u ver genoeg van kunt verwijderen behoud u om uws levens wil, zie niet achter u om.
II. De redenen om aan die waarschuwing kracht bij te zetten. 1. Denk aan het karakter van de mannen, wier weg u gezegd wordt te mijden, het zijn boosaardige mannen, vers 16, 17. Zij bekommeren zich niet alleen niet om het kwaad, dat zij doen aan hen, die hun in de weg staan, maar het is hun beroep en bedrijf om kwaad te doen, het is hun een genot om kwaad te doen. Voortdurend bedenken en pogen zij om iemand te doen struikelen, hem naar lichaam en ziel in het verderf te storten. Goddeloosheid en boosaardigheid zijn in hun natuur, en geweld is in al hun daden. Zij zijn in de hoogste mate boosaardig, want:
A. Kwaad doen is rust en slaap voor hen. Evenveel voldoening als een geldgierige heeft als hij geld verkrijgt, een eerzuchtige als hij tot bevordering komt, en een Godvruchtige als hij goed gedaan heeft, hebben zij als zij iets gezegd of gedaan hebben, dat schadelijk en kwaadwillig is, en uiterst onrustig zijn zij als aan hun afgunst en wraak niet voldaan wordt, zoals Haman, aan wie alles onaangenaam was, zolang Mordechai ongehangen bleef. Het geeft ook te kennen hoe rusteloos en onvermoeid zij zijn in hun boosaardige plannen, zij willen liever slaap ontberen dan het genoegen te missen van anderen te kwellen.
B. Kwaad doen is spijs en drank voor hen, zij leven en teren erop, zij eten brood van goddeloosheid (zij eten Mijn volk op alsof zij brood aten Psalm 14:4), zij drinken van van enkel geweld, drinken het onrecht in als water, Job 15:16. Alles wat zij eten en drinken kwam van roof en verdrukking. Achten de goddelozen de tijd verloren, waarin zij geen kwaad gedaan en geen nadeel hebben toegebracht? Laat Godvruchtige mensen er dan evenzeer hun werk van maken om goed te doen en er hun genot in vinden, en laat allen, die wijs zijn en hun eigen welzijn willen behartigen, het gezelschap van de goddelozen mijden, want:
a. Het is zeer ergerlijk, want er is geen gemoedsgesteldheid, die een grotere schande is voor de menselijke natuur, een groter vijand is van de menselijke samenleving, een vermeteler uittarting is van God en het geweten, die duidelijker het beeld des duivels vertoont, of meer dienstig is aan zijn belangen, dan een vermaak in kwaad doen, in te kwellen en te schaden, en iedereen in het verderf te storten.
b. Het is zeer gevaarlijk. Mijd degenen, die zich verlustigen in kwaaddoen, als uw eigen veiligheid u lief is, want welke vriendschap zij ook voorwenden, vroeg of laat zullen zij u kwaaddoen, gij stort u in het verderf als gij met hen gaat samenwerken, Hoofdst. 1:18, en zij zullen u verderven, indien gij het niet doet.
2. "Denk aan de aard van de weg zelf die u geboden wordt te mijden, vergeleken met de rechte weg, waarop gij genodigd wordt te wandelen."
A. De weg van de gerechtigheid is licht, vers 18. Het pad van de rechtvaardigen, dat zij hebben verkozen en waarin zij wandelen, is als licht- op hun wegen schijnt het licht, Job 22:28, waardoor hij beide veilig en aangenaam wordt. Christus is hun weg, en Hij is het licht. Zij worden geleid door het Woord van God, en dat is een licht voor hun voet, zij zelf zijn licht in de Heere, en zij wandelen in het licht, gelijk Hij in het licht is.
a. Het is een schijnend licht. Hun weg schijnt voor hen in de blijdschap en vertroosting ervan, hij schijnt voor anderen in de luister en de eer ervan, hij schijnt voor de mensen, die hun goede werken zien, Mattheus 5:16. Zij gaan voort op hun weg met heilige gerustheid en kalmte van gemoed als degenen, die wandelen in het licht. Het is het morgenlicht, dat schijnt in de duisternis Jesaja 58:8, 10, en een einde maakt aan de werken van de duisternis.
b. Het is een toenemend licht, het schijnt meer en meer, niet als het licht van een meteoor, dat spoedig verdwijnt, of dat van een kaars, dat donker begint te schijnen als ze afloopt, maar als dat van de opgaande zon, dat voortgaat met te schijnen, al schijnende hoger klimt. Genade, de gids op die weg, neemt toe, hij die rein van handen is zal in sterkte toenemen, de blijdschap, die het genot is van die weg, de eer, die er de glans van is, en al het geluk, dat er inderdaad het licht van is, zullen nog steeds toenemen.
c. Aan het einde zal het tot de volle dag komen. Het licht van de dageraad zal ten laatste het licht worden van de middag, en dat is het waarnaar de verlichte ziel streeft. De heiligen zullen niet volmaakt zijn voor zij in de hemel komen, maar daar zullen ze zelf blinken gelijk de zon, als zij uitgaat in haar kracht, Mattheus 13:43. Hun blijdschap zal dan volkomen zijn. Daarom is het onze wijsheid, om ons dicht bij het pad van de rechtvaardigen te houden.
B. De weg van de zonde is als donkerheid, vers 19. De werken, tegen welke hij ons gewaarschuwd heeft, zijn werken van de duisternis. Welk waar genot en genoegen kunnen zij smaken, die geen ander genot, geen andere voldoening kennen dan om kwaad te doen? Welken betrouwbare gids hebben zij, die Gods Woord achter zich werpen? De weg van de goddelozen is donker, en daarom gevaarlijk, want zij struikelen, en zij weten niet waarover zij struikelen, zij vallen in zonde, maar weten niet vanwaar de verzoeking kwam, door welke zij terneder werden geworpen, en daarom weten zij ook niet, hoe haar bij een volgende gelegenheid te vermijden. Zij komen in benauwdheid, maar vragen niet waarom het is dat God met hen twist, zij bedenken niet dat zij kwaad doen noch wat er het einde van zal zijn, Psalm 82:5. Job 18:5, 6. Dat is de weg, die ons gezegd wordt te schuwen.