Mattheus 5:13-16
Christus had onlangs Zijne discipelen geroepen, en hun gezegd, dat zij vissers van mensen zullen zijn, hier zegt Hij hen nu verder waartoe Hij hen bestemt-zij moeten het zout der aarde en het licht der wereld zijn, opdat zij inderdaad zijn zullen, wat zij verwacht worden te zijn.
I. Gij zijt het zout der aarde. Dit zal hen bemoedigen en ondersteunen onder hun lijden, dat, hoewel zij met verachting zullen worden behandeld, zij toch in werkelijkheid een zegen zullen wezen voor de wereld, en dat wel zo veel te meer vanwege hun lijden. De profeten, die voor hen geweest zijn, waren het zout van het land Kanaän, maar de apostelen waren het zout van de gehele aarde, want zij moeten heengaan in de gehele wereld om het Evangelie te prediken. Het was ene ontmoediging voor hen, dat zij zo weinigen en zo zwak waren. Wat konden zij doen in zo groot ene provincie als de gehele aarde? Niets, indien zij moesten werken door kracht van wapenen, en door het zwaard, maar stil moetende arbeiden gelijk zout, zal ene handvol van dat zout zijn geur en smaak ver en wijd verspreiden, dus heel ver gaan, en onmerkbaar, en onweerstaanbaar werken als de zuurdesem, Hoofdstuk 13:33. De leer van het Evangelie is als zout, zij is doordringend, levend en krachtig, Hebreeën 4:12, Zij is reinigen, smakelijk, en bederfwerend. Wij lezen van den reuk der kennis van Christus, 2 Corinthiërs 2:14, want zonder haar is alle andere geleerdheid smakeloos. Een eeuwig verbond wordt een zoutverbond genoemd, Numeri 18:19, en het Evangelie is een eeuwig Evangelie. Bij alle offers werd zout vereist, Leviticus 2:13, in Ezechiël's geheimenisvollen tempel, Ezechiël 43:24. Nu zijn Christus' discipelen, de leer van het Evangelie geleerd hebbende, en gebruikt zijnde om het aan anderen te leren, als zout. Christenen, en inzonderheid Evangeliedienaren, zijn het zout der aarde.
1. Als zij zijn, zoals zij wezen moeten, dan zijn zij een goed zout, wit, in vele kleine korrels gebroken, maar zeer nuttig en nodig. Plinius zegt: Sine sale, vita humana non potest degere - Zonder zout kan het leven der mensen niet onderhouden worden. Zie hierin,
a. wat zij in zich zelven moeten zijn-toebereid met het Evangelie, met het zout der genade, gedachten en genegenheden, woorden en daden, het is alles doorgeurd met genade, Colossenzen 4:6. Hebt zout in u zelven, anders kunt gij het niet in anderen verspreiden, Markus 9:50.
b. Wat zij voor anderen moeten zijn, zij moeten niet slechts goed wezen, maar ook goed doen, zij moeten inkomen in het hart, in den geest der mensen, niet om hun werelds belang te dienen, maar om hun smaak te geven voor het Evangelie.
c. Welk een groten zegen zij zijn in de wereld. Het mensdom, in onwetendheid en boosheid verzonken, was een grote hoop van walglijk tuig, dat tot verrotting overgaat, maar Christus zond Zijne discipelen uit, om door hun leven en hun leer dien vuilen hoop te doorgeuren met kennis en genade, en hem aldus aan God, aan de engelen, en aan allen, die zin en smaak hebben voor Goddelijke dingen welbehaaglijk te maken.
d. Hoe er over hen beschikt zal worden. Zij moeten niet op een hoop gelegd worden, zij moeten niet altijd allen bij elkaar te Jeruzalem blijven, maar verstrooid worden, als zout op het vlees, hier een korretje en dáár een korretje, zoals de Levieten verstrooid waren onder de Israëlieten, opdat zij, waar zij wonen, hun geur mededelen. Sommigen hebben opgemerkt, dat, terwijl het ene dwaasheid is om het een slecht voorteken te noemen, als het zout naar ons toe valt, het wezenlijk een slecht voorteken is, als dit zout van ons weg valt.
2. Indien zij dit niet zijn, dan zijn zij als zout, dat smakeloos is geworden. Indien gij, die geur en smaak aan anderen moet mededelen, zelf smakeloos zijt, ontbloot van geestelijk leven en kracht, indien een Christen zo is, en inzonderheid indien een Evangeliedienaar zo is, dan is zijn toestand zeer treurig, want
a. Hij is onherstelbaar: Waarmee zal het gezouten worden? Zout is een middel tegen onsmakelijke spijze, maar er is geen middel tegen onsmakelijk zout. Het Christendom zal een mens aangenaam maken, doch als iemand het Christendom belijdt, maar toch zot en plat blijft, onliefelijk en flauw, dan kan gene andere leer, geen ander middel aangewend worden, om hem kleur of geur te geven. Als het Christendom het niet doet, dan zal niets anders het doen.
b. Hij is onnut, Het deugt nergens meer toe, waarvoor zou men het nog kunnen aanwenden, waar het niet meer schade doet dan goed? Gelijk een mens zonder verstand, zo is een Christen zonder genade. Een slecht mens is het slechtste van alle schepselen, een slecht Christen is de slechtste der mensen, en een slecht Evangeliedienaar is de slechtste van alle Christenen.
c. Hij is bestemd tot verderf en verwerping. Hij zal buiten geworpen worden, uitgeworpen uit de kerk en de gemeenschap der gelovigen, waarvoor hij een smet is en een last, en hij zal van de mensen vertreden worden. Laat God verheerlijkt worden, in de schande en verwerping van hen, door wie Hij gesmaad werd, en die zich voor niets anders geschikt hebben gemaakt dan om vertreden te worden,
II. Gij zijt het licht der wereld, vers 14. Ook dit duidt hen aan als nuttig, evenals het vorige (Sole et sale nihil utilius - Niets is nuttiger dan zon en zout) maar heerlijker nog. Alle Christenen zijn licht in den Heere, Efeze 5:8, en moeten als lichten schijnen, Philippenzen 2:15, maar leraren in zeer bijzonderen zin. Christus noemt zich het Licht der wereld, Johannes 8:12. en zij zijn medewerkers met Hem, en iets van Zijne eer wordt hun gegeven. Voorwaar! het licht is zoet, het is welkom, het licht van den eersten dag der wereld was dit, toen het scheen uit de duisternis, ook het morgenlicht van elke dag is dit, en voor alle verstandige mensen is ook het Evangelie dit, en zij, die het verspreiden. De wereld was in duisternis gezeten. Christus heeft Zijne discipelen verwekt, om er in te schijnen, en om dit te doen, ontlenen zij aan Hem hun licht. Deze gelijkenis word hier verklaard in twee zaken
1. Als het licht der wereld zijn zij vermaard, duidelijk zichtbaar, veler ogen zijn op hen gevestigd. Ene stad, boven op een berg liggende, kan niet verborgen blijven, De discipelen van Christus, inzonderheid diegenen, die ijverig en voortvarend zijn in Zijn dienst, worden opmerkenswaardig, er wordt op hen gelet, als op bakens. Zij zijn tot tekenen, Jesaja 7:18, een wonderteken, Zacheria 3:8, al hun naburen hebben het oog op hen. Sommigen bewonderen hen, sommigen loven hen, verblijden zich in hen, en trachten hen na te volgen, anderen benijden hen, haten hen, berispen hen, en trachten hen te vernietigen. Daarom behoren zij voorzichtiglijk te wandelen, vanwege hun verspieders, zij zijn een schouwspel der wereld, en moeten zich wachten voor alles wat een schijn des kwaads heeft, omdat zij zo veel aangezien worden. Voor dat Christus hen riep, waren Zijne discipelen onbekende mannen, maar de hoedanigheid, die Hij in hen legde, verleende hun waardigheid, en als predikers van het Evangelie zijn zij vermaard geworden, en hoewel zij er door sommigen om gesmaad werden, zijn zij er door anderen om geëerd, bevorderd tot tronen, en tot rechters gemaakt, Lukas 22:30, want Christus zal eren, die Hem eren.
2. Als lichten der wereld zijn zij bestemd om anderen te verlichten, vers 15, en daarom
a. zullen zij als lichten gesteld worden. Christus, deze kaarsen aangestoken hebbende, zullen zij niet onder een korenmaat gezet worden, niet altijd, gelijk nu, beperkt blijven tot de steden van Galilea, of de verlorene schapen van het huis Israël's, zij zullen heengezonden worden in de gehele wereld. De kerken zijn de kandelaars, de gouden kandelaars, waarop deze lichten gesteld worden, teneinde hun licht te verspreiden, en het Evangelie is zo sterk een licht en draagt Zijn eigen getuigenis zo duidelijk en blijkbaar in zich, dat het, gelijk ene stad op een berg, niet verborgen kan blijven, voor allen, die niet moedwillig hun ogen er voor sluiten, moet het wel blijken van God te zijn. En zij schijnt allen, die in het huis zijn, allen die er nabij willen komen, willen komen waar zij is. Zij, aan wie deze kaars des Evangelies geen licht geeft, hebben dit zich zelven te wijten, zij willen er niet mede in het huis zijn, willen er geen vlijtig en onpartijdig onderzoek naar doen, maar zijn er tegen ingenomen.
b. Zij moeten als lichten schijnen. Door hun goede prediking. De kennis die zij hebben, moeten zij ten goede van anderen mededelen, haar niet onder een korenmaat houden, maar haar verspreiden. Het talent moet niet in een zweetdoek worden begraven, er moet handel mede gedreven worden. De discipelen van Christus moeten zich niet in afzondering begraven, onder voorgeven van nadenken en bespiegeling, bescheidenheid, of zelf-bewaring, maar gelijk zij het om niet ontvangen hebben, moeten zij het om niet geven. Door hun goed leven. Zij moeten brandende en schijnende lichten zijn, Johannes 5:35, moeten in geheel hun' wandel het onmiskenbaar blijk geven, dat zij waarlijk Christus' volgelingen zijn, Jakobus 3:13 Zij moeten anderen tot lering, leiding, opwekking en vertroosting wezen, Job 29:11. Ziehier ten eerste: Hoe ons licht moet schijnen-door goede werken te doen, die de mensen kunnen zien, en kunnen goedkeuren, werken, die in goed gerucht staan bij hen, die buiten zijn, en die hun dus reden kunnen geven, om goed van het Christendom te denken. Wij moeten goede werken doen, die gezien kunnen worden tot stichting van anderen, maar niet, om gezien te worden, ter onzer eigene praalvertoning. Er is ons geboden te bidden in het verborgen, en wat er ligt tussen God en onze ziel, moeten wij voor ons zelven houden, maar wat uit den aard der zaak open en bloot is voor ieders oog, dat moeten wij in overeenstemming zoeken te brengen met onze belijdenis, en het moet lofwaardig zijn, Filippenzen 4:8. Zij, die ons omringen, moeten niet slechts onze goede woorden horen, maar onze goede werken zien, opdat zij er van overtuigd zullen zijn, dat de Godsdienst meer dan een blote naam is, en dat wij er niet slechts belijdenis van doen, maar onder de macht er van blijven.
Ten tweede. Tot welk einde ons licht moet schijnen-"Opdat zij, die uwe goede werken zien, er toe gebracht worden, niet om u te verheerlijken (dat was hetgeen de Farizeeën op het oog hadden, en het bedierf alles wat zij verrichtten), maar uwen Vader, die in de hemelen is verheerlijken." Merk op: De verheerlijking Gods is de grote zaak, die wij bij alles wat wij doen in den Godsdienst, op het oog moeten hebben, 1 Petrus 4:11. In dit middelpunt moeten al de lijnen onzer daden samenkomen. Wij moeten er niet slechts naar streven zelven God te verheerlijken, maar wij moeten alles doen wat wij kunnen om anderen er toe te brengen Hem te verheerlijken. Het gezicht op onze goede werken zal dit doen, door hen te voorzien van: 1. Stof tot lof. "Laten zij uwe goede werken zien, opdat zij de kracht van Gods genade in u zien, en er Hem voor danken, en er Hem de eer voor geven, die zulke kracht aan mensen heeft gegeven."
2. Redenen tot Godsvrucht. "Laten zij uwe goede werken zien, opdat zij overtuigd mogen worden van de waarheid en voortreffelijkheid van den Christelijken Godsdienst, tot heiligen wedijver opgewekt worden, om uwe goede werken na te volgen, en aldus God te verheerlijken. De heilige, geregelde en voorbeeldige wandel der Godvruchtigen kan veel doen tot bekering van zondaren. Zij, die onbekend zijn met den Godsdienst, kunnen hierdoor er toe gebracht worden om te weten wat hij is. En zij, die er tegen bevooroordeeld zijn, kunnen er toe gebracht worden, om hem lief te hebben, en aldus is er iets lokkends en innemends in een' Godvruchtigen wandel.