Spreuken 1:10-19
Hier geeft Salomo nog een algemene regel aan de jonge lieden teneinde hen de paden van de wijsheid te doen vinden en er hen op te houden en die is: om zich te wachten voor kwaad gezelschap. Davids psalmen beginnen met deze waarschuwing, en dat doen ook Salomo's spreuken, want niets is meer verwoestend voor levende Godsvrucht en een geregelde levenswandel, vers 10. Mijn zoon, die ik liefheb en in wie ik tederlijk belang stel, indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet. Dit is een goede raad voor ouders om aan hun kinderen te geven, als zij hen uitzenden in de wereld, het is dezelfde raad die Petrus aan zijn nieuw bekeerden gaf: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht, Handelingen 2:40.
Merk op:
1. Hoe ijverig goddeloze mensen zijn om anderen op de paden van de verderver te lokken. Zij zullen aanlokken, zondaren hebben gaarne metgezellen in en bij hun zonde, de gevallen engelen waren verleiders bijna even spoedig als zij zondaars geworden zijn. Zij dreigen niet, zij redeneren of betogen niet maar zij verlokken met vleierij en fraaie woorden, met een lokaas trekken zij jonge lieden aan de haak. Maar zij vergissen zich als zij denken dat zij door anderen er toe te brengen, om in hun schuld te delen en met hen als het ware in een verbond te zijn, zelf daardoor minder te betalen zullen hebben, want zij zullen zoveel te meer hebben te verantwoorden.
2. Hoe jonge lieden op hun hoede moeten zijn, opdat zij zich niet door hen laten verleiden. "Bewillig niet, en dan kunnen zij, hoewel zij u verleiden, niet dwingen. Spreek niet zoals zij spreken, doe niet zoals zij doen of willen dat gij doen zult, heb geen gemeenschap met hen."
Om aan deze waarschuwing kracht bij te zetten:
I. Toont hij hoe bedrieglijk de redeneringen zijn, die de zondaars gebruiken in hun verlokkingen en de kunstenarijen van vleien en flikflooien die zij aanwenden om onvaste zielen te misleiden. Hij noemt inzonderheid struikrovers, die doen wat zij kunnen om anderen in hun bende te lokken, vers 11-14. Zie hier wat zij willen, dat de jongeling doen zal, "Ga met ons, vers 11, geef ons uw gezelschap, " in het eerst wenden zij voor niets anders of niets meer dan dat te begeren, maar het werven gaat verder, gaat hoger: "gij zult uw lot midden onder ons werpen, word onze deelgenoot, voeg uw kracht bij de onze, en laat ons besluiten tezamen te leven en te sterven, het zal u gaan zoals het ons gaat, en laat ons allen een buidel hebben, zodat wij wat wij tezamen winnen, tezamen in vrolijkheid verteren, want dat is hun doel.
Van twee onredelijke, onverzadelijke begeerten stellen zij zich de bevrediging voor en daarmee lokken zij hun prooi in de strik.
1. Hun wreedheid. Zij dorsten naar bloed en haten hen, die onschuldig zijn en hun nooit reden tot toorn of misnoegen hadden gegeven, omdat zij hen door hun eerlijkheid en vlijt beschamen en veroordelen, laat ons daarom loeren op bloed, en ons versteken tegen hen. Zij zijn zich van generlei misdaad bewust, en bijgevolg duchten zij geen gevaar, maar gaan ongewapend op reis, en zo kunnen wij hen dan zoveel gemakkelijker tot onze prooi maken. En, o hoe zoet zal het zijn hen levend te verslinden! Deze bloeddorstige mensen zullen dit met evenveel gretigheid doen als waarmee de leeuw het lam verslindt. Als hier nu tegen ingebracht wordt: "De overblijfselen van de vermoorden zullen de moordenaars verraden," dan antwoorden zij: Daarvan lopen wij geen gevaar, want we zullen hen geheel en al verslinden, gelijk die in de kuil nederdalen". Wie zou zich kunnen voorstellen dat de menselijke natuur zo ontzettend zou ontaarden, dat het ooit voor de ene mens een genot kan zijn om een andere te doden!
2. Hun gierigheid. Zij hopen er een goede buit door te verkrijgen, vers 13. "Alle kostelijk goed zullen wij vinden door dit handwerk te beoefenen, zij het ook dat wij er ons hoofd aan wagen, toch zullen wij onze huizen met roof vullen." Zie hier:
a. Hun idee van wereldse rijkdom, zij noemen het kostelijk goed, terwijl het noch goed noch kostelijk is, het is een schaduw, het is ijdelheid, inzonderheid als het verkregen is door roverij Psalm 62:11. Het is als hetgene dat niet is, dat aan de mens geen wezenlijke voldoening kan schenken. Het is goedkoop, het is iets gewoons, maar in hun schatting is het kostelijk, en daarom willen zij er hun leven en misschien hun zielen aan wagen, om het te verkrijgen. Het is de verderflijke vergissing van duizenden, dat zij de rijkdom van de wereld overschatten en die houden voor kostelijk goed.
b. De overvloed ervan, die zij zich voorspiegelen: wij zullen onze huizen met roof vullen. Zij, die met de zonde handelen, beloven zich machtig veel gewin, er schatrijk door te zullen worden. Al deze dingen zal ik u geven, zegt de verzoeker, maar zij dromen slechts dat zij eten, het huisvol slinkt weg tot nauwelijks een handvol, zoals het gras op het dak.
II. Hij toont het verderfelijke aan van die wegen, als een reden, waarom wij ervoor terug moeten schrikken, vers 15. "Mijn zoon, wandel niet met hen op de weg, vergezel u niet met hen, houdt u zover mogelijk van hen verwijderd, weer uw voet van hun pad, neem geen voorbeeld aan hen, doe niet zoals zij doen." Zo groot is het bederf van onze natuur, dat onze voet zeer geneigd is om in het pad van de zonde te treden, zodat wij er onszelf geweld voor moeten aandoen om hem er van te weren, en onszelf bedwang moeten aandoen, als wij in het minst of geringst die kant uitgaan. Bedenk:
1. Hoe verderflijk hun weg is in zijn aard, vers 16. Hun voeten lopen ten boze, tot hetgeen God mishaagt en schadelijk is voor de mens, want zij haasten zich om bloed te storten. De weg van de zonde gaat bergafwaarts, de mensen kunnen niet slechts niet staande blijven, maar hoe langer zij er op voortgaan, hoe harder zij lopen en er spoed mee maken, alsof zij bang waren geen kwaad genoeg te kunnen doen, en besloten waren er geen tijd voor te verliezen. Zij zeiden dat zij er langzaam in zouden voortgaan, (laat ons loeren op bloed, vers 1 maar gij zult bevinden dat zij allen haast maken, zozeer heeft de Satan hun hart vervuld.
2. Hoe verderflijk de gevolgen ervan zullen zijn. Hun wordt duidelijk gezegd dat die boze weg gewis eindigen zal in hun verderf, en toch volharden zij er in:
a. Zij zijn als de domme vogel, die het net gespreid ziet om hem te vangen, maar tevergeefs, het lokaas trekt hem aan, en hij laat zich door zijn eigen ogen niet waarschuwen, vers 17. Maar wij denken dat wij van meer waardij zijn dan vele musjes, en derhalve moesten wij ook wijzer zijn en met meer voorzichtigheid handelen. God heeft ons wijzer gemaakt dan de vogelen des hemels, Job 35:11. Zullen wij dan toch even dom zijn als zij? b. Zij zijn nog erger dan de vogelen en hebben het verstand niet, dat wij soms in deze opmerken, want de vogelaar weet dat het tevergeefs is om zijn net te spreiden voor de ogen van het gevogelte, en daarom gebruikt hij zijn kunst om het te verbergen. Maar de zondaar ziet verderf aan het einde zijns wegs, de moordenaar, de dief zien de gevangenis en de galg voor zich, ja zij zouden de hel voor zich kunnen zien, hun wachters zeggen hun dat zij gewis zullen sterven, maar het is tevergeefs, zij storten zich in de zonde, gaan er roekeloos mee voort zoals het paard zich in de slag stort. Want waarlijk, de steen, die zij rollen, keert op henzelf weer, vers 18, 19. Zij loeren in het geheim op het bloed van anderen, maar tegen hun bedoeling in zal het blijken dat zij op hun eigen bloed, hun eigen leven loeren, zij zullen tot een schandelijk einde komen, en zo zij al aan het zwaard van de magistraat ontkomen is er toch een Goddelijke Nemesis, die hen vervolgt. De wraak laat hen niet leven. Hun geldgierigheid jaagt hen voort naar die praktijken, die hun niet zullen toelaten om de helft hunner dagen te leven, maar het getal hunner maanden in het midden zullen afsnijden. Zij hebben weinig reden om trots te zijn op hun bezitting, daar zij de ziel harer meesters zal vangen, en dan in de handen komt van andere meesters, en wat baat het een mens zo hij de gehele wereld wint, als hij zijn leven verliest? Want dan kan hij niet langer genieten van de wereld, en nog veel minder zo hij zijn ziel verliest, en deze ten verderve gaat, zoals velen door de liefde tot het geld ten verderve gaan.
Hoewel Salomo nu alleen de verzoeking tot roverij op de grote weg specificeert, bedoelt hij er toch mee om ons te waarschuwen tegen alle ander kwaad, waartoe de zondaars de mensen verlokken, zodanig zijn ook de wegen van de dronkaards en van de onkuisen, zij geven zich toe in een genot, dat hen ten verderve voert, zowel hier als hiernamaals, en daarom: bewillig niet.