1. Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, van half Mei tot half Juni, voor Palestina iets ongehoords, ongerijmds en hoogst verderfelijks is (
1 Samuël 12:17),alzo past den zot, zolang hij in dien toestand blijft, de eer niet; maar zij zal voor hem zelven en het algemeen welzijn verderfelijk worden (
Vers 8;
Hoofdstuk 19:10).
Eer betekent hier goed, rijkdom en alles, dat eer aanbrengt.
Wanneer, wat helaas dikwijls genoeg het geval is, de dwaas ook slechts naar den uitwendigen zin des woords eer ontvangt, zo wordt hierdoor reeds genoeg kwaad veroorzaakt: het is een kwaad onder de zon als een dwaling, die van het aangezicht der oversten voortkomt, wanneer een dwaas in hoogheid is, wanneer mensen, die naar hun gezindheid knechten zijn, te paard rijden en de rijken en vorsten Gods in de laagte zijn en als knechten op de aarde gaan (Prediker 10:5-7). -Gij moet hier leren, deze zogenaamde eer der dwazen te verachten en hun als Gods getuige voor de waarheid, de ere voor God wegen. Bij gevolg moet gij niet kruipend vleien, als een dwaas in hoogheid gezeten is, maar door ware, heilzame vermaning en bestraffing uw plicht als mens en Christen doen; gij zult het juist den dwaas in het aangezicht zeggen, wat hem in plaats van ere toekomt, en daar hij zijne onbeschaamdheid niet vrezen; maar gij moet dit doen met geduld en liefde, met volhardenden ijver, opdat hij hierdoor, indien het mogelijk is, nog terecht gebracht wordt.