Spreuken 29:1
1. Het volharden van vele goddelozen in hun boze weg is zeer te betreuren. Zij zijn dikwijls bestraft geworden door ouders en vrienden, door magistraten en leraren, door de voorzienigheid van God en door hun eigen geweten, hun zonden zijn hun ordelijk voor ogen gesteld, en voor de gevolgen ervan werden zij behoorlijk gewaarschuwd, maar het was alles tevergeefs. Zij hebben de nek verhard, zij lopen misschien weg, willen geen bestraffing geduldig aanhoren, of, indien zij dit al doen, gaan zij toch voort met de zonde, waarvoor zij bestraft werden. zij willen hun hals niet buigen onder het juk, maar zijn kinderen Belials, zij verlaten de bestraffing, Hoofdst. 10:17, haten haar, Hoofdst. 12:1.
2:Het gevolg van deze hardnekkigheid is zeer te vrezen. Zij, die voortgaan in hun zonden in weerwil van vermaning en waarschuwing, zullen verbroken worden. Zij, die niet verbeterd willen worden, moeten verwachten verbroken te worden, indien de roede niet aan het doel beantwoordt, verwacht de bijl, zij zullen schielijk verbroken worden, temidden van hun gerustheid, zodat er geen genezen aan is. Zij hebben gezondigd tegen het voorkomende geneesmiddel, laat hen dus geen herstellend geneesmiddel verwachten. De hel is een verbreking, een verwoesting, waaraan geen genezen is. Als God wondt, wie kan dan helen?