Spreuken 30:1-6
Sommigen denken dat Agur niet de naam was van deze schrijver, maar zijn hoedanigheid, hij was een verzamelaar, dat is de betekenis van het woord, iemand, die niet zelf de dingen schreef of opstelde, maar de wijze gezegden en opmerkingen van anderen bijeenbracht, en uittreksels maakte van de geschriften van anderen, hetgeen, naar sommigen denken, de reden is, waarom hij zegt, vers 3 "ik heb zelf geen wijsheid geleerd, maar was een afschrijver, of amanuensis van andere wijze en geleerde mannen." Wij moeten onze talenten niet begraven, al hebben wij er maar één, maar naar wij gave ontvangen hebben, haar alzo bedienen, al is het maar om bijeen te vergaderen wat anderen geschreven hebben. Doch wij veronderstellen dat het veeleer zijn naam was, die toen ongetwijfeld wel bekend was, hoewel hij niet elders in de Schrift wordt genoemd.
Ithiel en Uchal worden vermeld, (in de Statenvertaling) hetzij:
1. Als de namen van zijn leerlingen, die hij onderwees, of die hem raadpleegden als een orakel, daar zij hoge gedachten koesterden van zijn wijsheid en godsvrucht. Waarschijnlijk schreven zij op wat hij dicteerde, zoals Baruch schreef uit de mond van Jeremia, en is het door hen bewaard gebleven, en zij waren bereid te getuigen dat het zijn woorden waren, want zij werden tot hen gesproken, zij waren twee betuigen ervan. Of
2. Als het onderwerp van zijn rede. Ithiel betekent: God met mij, de persoonlijke toepassing van Immanuel, God met ons. Het Woord noemt Hem God met ons het geloof eigent zich dit toe en noemt Hem: God met mij, die mij liefgehad heeft en zichzelf voor mij overgegeven heeft, en tot wiens gemeenschap ik ben toegelaten." Uchal betekent de Machtige, want het is op een Machtige, dat hulp gelegd is voor ons. Vele goede Schriftverklaarders passen dit daarom toe op de Messias, want van Hem getuigen alle profetieën, en waarom dan ook niet deze? Het is wat Agur sprak betreffende Ithiel, (dat is de naam, waarop de nadruk gelegd wordt) en Uchal, de machtige, of sterke God met ons, Jesaja 9:5, Jesaja 7:14. Drie dingen heeft de profeet hier op het oog.
I. Zichzelf te vernederen of te verkleinen. Voor hij belijdenis doet van zijn geloof, doet hij belijdenis van zijn dwaasheid, van de zwakheid en het gebrekkige van het verstand, waardoor het nodig wordt dat wij geleid en geregeerd worden door het geloof. Eer hij spreekt van de Zaligmaker, spreekt hij van zichzelf als behoefte hebbende aan een Zaligmaker, en als zonder Hem niets zijnde, wij moeten uit onszelf uitgaan eer wij ingaan tot Jezus Christus.
1. Hij spreekt van zichzelf als een gerechtigheid nodig hebbende, en als dwaselijk zeer dwaselijk gedaan hebbende. Als hij nadenkt over zichzelf, erkent hij: "Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand". Een ieder mens is onvernuftig geworden, Jeremia 10:14. Maar die zijn eigen hart kent, weet zoveel meer kwaad van zichzelf dan van iemand anders, dat hij uitroept: "Voorwaar, ik moet wel denken, dat ik onvernuftiger ben dan iemand, voorzeker, niemand heeft zo'n bedorven, bedrieglijk hart als ik, ik heb gehandeld als iemand, die het verstand niet heeft van Adam als één, die ellendig ontaard is van de kennis en gerechtigheid, waarin de mens in de beginne geschapen was, ja ik heb het gewone mensenverstand niet, want anders zou ik niet gedaan hebben zoals ik gedaan heb." Toen anderen zich wendden tot Agur als wijzer dan de meesten, erkent hij onvernuftiger, dwazer, te zijn dan iemand. Welke hoge gedachten anderen van ons koesteren, ons betaamt het zeer gering over onszelf te denken. 2. Hij spreekt van zichzelf als een openbaring behoevende, om hem in de wegen van de waarheid en van de wijsheid te leiden. Hij erkent, vers 3, ik heb geen wijsheid geleerd door enigerlei kracht van mijzelf, de diepte ervan kan door mijn paslood niet worden gepeild, ook ken ik de wetenschap niet van de heiligen, van de engelen, of die van onze eerste ouders in de staat van de onschuld, noch van de heilige dingen Gods, Ik kan er geen inzicht in krijgen, noch er mij een oordeel over vormen, meer of verder dan het Gode behaagt, ze mij bekend te maken." De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn, de natuurlijke vermogens kunnen ze niet vatten of verstaan. Sommigen veronderstellen dat aan Agur gevraagd was, zoals vanouds aan het orakel van Apollo: Wie was de witste mens? Het antwoord is: Die zich bewast is van zijn onwetendheid, inzonderheid omtrent Goddelijke dingen. Al wat ik weet is dat ik niets weet.
II. Jezus Christus te verhogen en in Hem de Vader, vers 4. Wie is ten hemel opgeklommen, enz.
1. Sommigen verstaan dit van God en van Zijn werken, die beide weergaloos en ondoorgrondelijk zijn. Hij daagt geheel het mensdom uit om een bericht te geven van de hemel boven, van de winden, de wateren, de aarde: "Wie kan zeggen, dat hij opgeklommen is ten hemel om de hemelbollen in ogenschouw te nemen, en toen is neergedaald om er een beschrijving van te geven? Wie kan voorgeven over de winden te hebben geboden, die in zijn vuisten te hebben verzameld, die bestuurd te hebben zoals God ze bestuurt, of de golven van de zee in een kleed te hebben gebonden? Wie heeft alle de einden van de aarde gesteld? Wie kan de sterkte beschrijven van haar fundamenten, of de uitgestrektheid van haar grenzen? Zeg mij, hoe is de naam van de man, die het kan ondernemen om met God te wedijveren, of die van Zijn geheime raad is, of, indien deze gestorven is, hoe is de naam van hem, aan wie hij dit grote geheim heeft nagelaten?"
2. Anderen verstaan het Christus, van Ithiel en Uchal, de Zoon van God, want het is de naam van de zoon, zowel als die van de Vader, naar welke hier gevraagd wordt, en met wie zich te vergelijken iedereen wordt getart. Wij moeten thans Christus verhogen als één die geopenbaard is, toen hebben zij Hem verheerlijkt als één, die verborgen is, als één, van wie zij iets gehoord hadden, maar van wie zij slechts een duister en gebrekkig denkbeeld hadden. Wij hebben met onze oren Zijn gerucht gehoord, maar kunnen Hem niet beschrijven, Job 28:22, voorzeker, het is God, die de wind in Zijn vuist verzameld heeft, en de wateren in een kleed heeft gebonden, maar hoe is Zijn naam? Die is: Ik ben die Ik ben, Exodus 3:14, een naam, die aangebeden moet worden. Hoe is de naam van Zijn Zoon, door wie Hij al deze dingen doet? De Oud-Testamentische heiligen verwachtten de Messias als de Zoon des Gezegenden, en hier wordt van Hem gesproken als van een persoon, onderscheiden van de Vader, maar Zijn naam is nog verborgen. De grote Verlosser kan in de heerlijkheid van Zijn voorzienigheid en genade noch geëvenaard noch ten volle ontdekt worden.
A. De heerlijkheid van het rijk van Zijn genade is ondoorgrondelijk en ongeëvenaard, want wie buiten Hem is ten hemel opgeklommen en daarvan nedergedaald? Wie buiten Hem is volkomen bekend met beide werelden, en heeft zelf met beide een vrije gemeenschap, en is derhalve geschikt om een gemeenschap tussen ze te vestigen als Middelaar, zoals Jakobs ladder? Hij was in de hemel in de schoot van de Vader, Johannes 1:1, 18, vandaar is Hij nedergedaald om onze natuur aan te nemen, en nooit was er zo'n verwaardiging, zo'n nederbuigende goedheid! In die natuur is Hij wederom opgeklommen, Efeziers 4:9, om de beloofde heerlijkheid van Zijn verhoogde staat te ontvangen, wie buiten Hem heeft dit gedaan? Romeinen 10:6. B. Even ondoorgrondelijk en weergaloos is de heerlijkheid van het rijk van Zijn voorzienigheid. Hij, die hemel en aarde met elkaar verzoent was de Schepper van beide, en Hij regeert en beschikt over alles. Hij specificeert in Zijn regering de drie lagere elementen van lucht, water en aarde.
a. De bewegingen van de lucht worden door Hem bestuurd. Satan geeft voor de overste te zijn van de macht van de lucht, maar zelfs daar heeft Christus alle macht. Hij bestrafte de winden, en zij gehoorzaamden Hem.
b. De perken van het water zijn door Hem gesteld, Hij bindt de wateren als in een kleed, tot hiertoe zullen zij komen en niet verder, Job 38:11.
c. De fundamenten van de aarde zijn door Hem bevestigd, Hij heeft haar in de beginne gegrond, nog onderhoudt Hij haar. Indien Christus niet tussenbeiden ware getreden, de fundamenten van de aarde zouden weggezonken zijn onder de last van de vloek over het aardrijk om de zonde van de mens. Wie en wat is de machtige, die dit alles doet? Wij kunnen tot de volmaaktheid toe God niet vinden, noch de Zoon van God. O diepte van deze kennis!
III. Ons te verzekeren van de waarheid van het Woord Gods, en het ons aan te bevelen, vers 5, 6. Agurs leerlingen verwachten door hem onderwezen te worden in de dingen Gods. "Helaas," zegt hij, "ik kan het niet op mij nemen u te onderwijzen, gaat tot het Woord van God, ziet wat Hij daarin van zichzelf geopenbaard heeft, van zichzelf, van Zijn bedoeling en van Zijn wil, gij behoeft niets meer te weten dan hetgeen dit u leren zal, en daarop kunt gij betrouwen, daar het vast en genoegzaam is. Alle rede Gods is doorlouterd, er is niet het minste bijmengsel in van leugen en bederf." De woorden van de mensen moeten gehoord en gelezen worden met achterdocht, maar er is niet de minste grond om enig gebrek te vermoeden in het Woord van God, het is als zilver, gezuiverd zeven maal, Psalm 12:7 zonder het minste schuim of alliage, Uw woord is zeer gelouterd, Psalm 119-140.
1. Het is vast, en daarom moeten wij erop vertrouwen en er onze ziel op wagen. God in Zijn woord, God in Zijn belofte, is een schild een gewisse bescherming, voor allen, die zich onder Zijn bescherming stellen en hun vertrouwen in Hem stellen. Het Woord van God, toepast door het geloof, zal ons temidden van de grootste gevaren gerust maken, Psalm 46:2, 3.
2. Het is genoegzaam, en daarom moeten wij er niets aan toevoegen, vers 6. Doe niet tot Zijn woorden, omdat zij doorlouterd en volmaakt zijn. Hiermede wordt verboden om iets, wat het ook zij, op te werpen, niet alleen in tegenspraak met het Woord van God, maar ook in gelijkstelling er aan, al is het ook onder het schoonschijnende voorwendsel van het te verklaren, als die verklaring aanspraak maakt op gelijk gezag er mede, dan is dit een toevoegen aan Zijn woorden, dat ze niet alleen smaadt als ongenoegzaam, maar de deur opent voor allerlei dwaling en verminking van het woord, want als die een ongerijmdheid wordt toegegeven, dat het woord van een mens, of van een gezelschap van mensen, met hetzelfde geloof en dezelfde eerbied aangenomen moet worden als het Woord van God, dan zullen duizend andere volgen. Wij moeten tevreden zijn met hetgeen God geschikt geoordeeld heeft ons van Zijn wil en bedoeling bekend te maken, en niet begeren wijs te zijn boven hetgeen geschreven is, want, a. God zal er toornig over zijn als over een grievende belediging, Hij zal u bestraffen, zal met u afrekenen als met een verrader van Zijn kroon en waardigheid, en u onder het zware oordeel brengen van hen, die aan Zijn Woord toedoen, of er van afdoen, Deuteronomium 4:2, 12:32. Wij zullen in eindeloze vergissingen komen, "gij zult leugenachtig bevonden worden, een bederver van het woord van de waarheid, een verspreider van ketterijen, en schuldig zijn aan de ergste vervalsing, daar gij het grootzegel des hemels namaakt, een goddelijke zending en ingeving voorwendt, terwijl het alles bedrog is. De mensen kunnen op die wijze bedrogen worden, maar God laat zich niet bespotten.