1. De a) arme, in zijne oprechtheid, in eenvoudigheid en reinheid van gemoed tegenover den naaste (
Hoofdstuk 12:2 ) wandelende, is beter en gelukkiger dan de verkeerde van lippen, en die door zijne leugens tot eer en rijkdom (
Vers 23) gekomen zijnde, toch slechts een zot is, 1) zonder ware wijsheid en godsvrucht; alle zegen, dien hij in zijne goederen meent te vinden, is hem geen zegen, maar een vloek.
a) Spreuken 28:6.
1) Let tevens waarin de schande des rijkaards gelegen is. Deze is, al maakt hij nog zoveel statie en geeft zich nog zoveel zwiers, een ellendige en arme dwaas, wanneer hij met een ledig hersenvat en een boze tong is voorzien, en een verdwaald hart is..
Duidelijk is het dat hier een eerlijke arme gesteld wordt tegenover den dwazen en hoogmoedigen rijke, die zich inbeeldt heel wat in de wereld te zijn en ten slotte toch niets is en door niemand geacht wordt.