Spreuken 4:1-13
Wij hebben hier:
I. Salomo's uitnodiging aan zijn kinderen om tot hem te komen, en onderricht van hem te ontvangen, vers 1,. Hoort, gij kinderen, het onderwijs des vaders, vers 1, dat is:
1. Laat mijn eigen kinderen de onderrichtingen ontvangen en er acht op geven, die ik ook ten gebruike van anderen ten beste geef. Magistraten en leraren, aan wie de leiding van een grotere kring van mensen is toevertrouwd, hebben er het grootste belang bij, om meer dan gewone zorg te dragen voor het goede onderwijs aan hun eigen gezin, van deze plicht zullen zij door hun openbaar ambt en werk volstrekt niet vrijgesteld worden. Deze barmhartigheid moet tehuis beginnen, hoewel zij daar niet moet eindigen, want die zijn eigen kinderen niet in onderdanigheid houdt met alle stemmigheid, zich geen moeite geeft voor hun goede opvoeding, hoe zal hij zijn plicht naar behoren jegens de kerk Gods vervullen? 1 Timotheus 3:4, 5. De kinderen van hen, die uitnemend zijn in wijsheid en van groot nut zijn voor het algemeen, behoren toe te nemen in kennis en genade naar verhouding van het voorrecht en het voordeel, dat zij ontlenen aan hun betrekking tot zulke ouders. Maar om de eer te redden van die ouders, wier kinderen niet beantwoorden aan de hoop, die op grond van hun goede opvoeding van hen gekoesterd werd, kan men opmerken dat Rehabeam, de zoon van Salomo, verre was van een van de wijsten of van de besten te zijn, wij hebben reden om te denken dat duizenden meer goed van Salomo's spreuken hebben verkregen dan zijn eigen zoon er van ontvangen heeft, aan wie zij opgedragen schijnen te zijn.
2. Laat alle jonge lieden zich in de dagen hunner kindsheid en jeugd moeite geven om kennis en genade te verkrijgen, want dat is hun leeftijd om te leren, en dan zal hun geest gevormd en toebereid zijn. Hij zegt niet: Mijne kinderen, maar: Gij kinderen. Wij lezen slechts van een zoon, die Salomo zelf had. Hij is bereid om als schoolmeester op te treden en anderer kinderen te onderwijzen, want op die leeftijd kan men het meest op succes hopen, de twijg is gemakkelijk te buigen als zij nog jong en teer is.
3. Laat allen, die onderwijs willen ontvangen komen in de gezindheid van kinderen, al zijn het ook volwassenen, laat alle vooroordelen ter zijde worden gelegd, en het hart, het gemoed, als wit papier zijn, laat hen gehoorzaam, volgzaam en mistrouwig van zichzelf zijn, en het woord aannemen als het woord van een vader dat beide met gezag komt en met liefde. Wij moeten het van God zien komen als onze Vader in de hemel, tot wie wij bidden, van wie wij zegeningen verwachten, de Vader van onze geest, aan wie wij onderworpen behoren te wezen, opdat wij leven. Wij moeten op onze leraren zien als onze vaders, die ons liefhebben en ons welzijn zoeken, en daarom moeten wij het onderwijs, hoewel het bestraffing en tucht meebrengt want dat is de betekenis van het woord toch welkom heten.
A. Om ons dit nu aan te bevelen wordt ons gezegd, niet alleen, dat het onderwijs, de tucht, is van een vader, maar dat het verstand is, en daarom aan schepselen, begaafd met verstandelijke vermogens, welkom moet wezen. De Godsdienst heeft de rede aan zijn zijde, en hij wordt ons door goede redenering onderwezen. Het is een wet, voorzeker, vers 2, maar die wet is gegrond op leer, op ontwijfelbare beginselen van waarheid, op goede leer, die niet alleen getrouw is, maar ook alle aanneming waardig is. Als wij de leer aannemen, dan kunnen wij niet anders dan ons onderwerpen aan de wet.
B. Om haar ons vast in te prenten, wordt ons gezegd haar aan te nemen als een gave, er naarstig acht op te geven, we moeten die wet goed kennen, want anders kunnen wij haar niet opvolgen, en wij moeten haar niet verlaten, hetzij door de leer te loochenen of ongehoorzaam te worden aan de wet.
II. Het onderwijs, dat hij hun geeft.
Merk op:
1. Hoe hij aan dit onderwijs is gekomen, hij had het van zijn ouders, en leert nu aan zijn kinderen wat zij hem geleerd hebben, vers 3,5.
Merk op:
A. Zijn ouders beminden hem, en daarom onderwezen zij hem, ik was mijns vaders zoon. David had vele zonen, maar Salomo was zijn zoon bij uitnemendheid, zoals Izak het was van Abraham, Genesis 17:19, en om dezelfde reden, namelijk dat op hem het verbond overging. Hij was zijns vaders lieveling boven al zijn andere kinderen, God had een bijzondere liefde voor Salomo, de profeet noemde hem Jedidjah, omdat de Heere hem liefhad, 2 Samuël 12:25, en om die reden had David een bijzondere liefde voor hem, want hij was een man naar Gods hart. Indien ouders ooit het ene kind boven het andere mogen beminnen, dan moet dit niet wezen voordat het blijkt dat God dit doet. Hij was teder en enig, bemind in de ogen van zijn moeder, vers 3. Er was zeker een duidelijke reden om die onderscheiding te maken, als beide ouders dit deden. Nu zien wij op wat wijze zij hem hun liefde toonden: zij onderwezen hem en hielden hem onder strenge tucht. Hoewel hij een prins was en vermoedelijke erfgenaam van de kroon, hebben zij hem toch niet naar het goeddunken zijns harten laten leven, neen, juist daarom onderwezen zij hem, en hielden zij hem onder die strenge tucht. En misschien was David des te meer streng in zijn opvoeding van Salomo, omdat hij de boze gevolgen gezien had van een onbehoorlijke toegevendheid in Adonia, die hij niet bedroefd had van zijn dagen, 1 Koningen 1:6, evenals ook in Absalom.
B. Wat zijn ouders hem geleerd hadden leert hij aan anderen.
Merk op:
a. Toen Salomo volwassen was, heeft hij zich niet slechts de goede lessen herinnerd, die zijn ouders hem geleerd hadden toen hij een kind was, maar er genot en welbehagen in gevonden om ze te herhalen. Hij had er zo'n diepe indruk van ontvangen, dat hij ze niet kon vergeten. Hij had er zo'n hoge achting en waardering voor, dat hij ze zich volstrekt niet schaamde, noch beschouwde hij ze als kinderachtige, onbeduidende dingen, die hij, een man en een koning geworden zijnde, weg zou doen als een verkleining voor hem, en nog veel minder heeft hij zoals sommige slechte kinderen gedaan hebben, ze herhaald om er de spot mee te drijven, er zich met zijn metgezellen vrolijk over te maken, er zich op beroemende dat hij nu met al die ernstige lessen en met dat bedwang afgedaan had. b. Hoewel Salomo zelf een wijs man was en door Gods Geest werd gedreven, heeft hij, toen hij wijsheid moest onderwijzen, het niet beneden zich geacht om zijn vader aan te halen en gebruik te maken van zijn woorden. Zij, die in de Godsdienst goed willen leren en onderwijzen, moeten van geen nieuw verzonnen en nieuw gefabriceerde phrasen gebruik maken en met minachting neerzien op de kennis en de taal van hun voorgangers, als wij ons aan de goede oude weg moeten houden, dan moeten wij ook de goede oude woorden niet verachten, Jeremia 6:16.
c. Salomo, een goede opvoeding ontvangen hebbende van zijn ouders, achtte zich hierdoor verplicht om een goede opvoeding te geven aan zijn kinderen, dezelfde, die zijn ouders hem gegeven hadden, en dat is een manier, waarop wij onze ouders de moeite moeten vergelden, die zij voor ons genomen hebben, namelijk door aan hun eigen huis Godzaligheid te doen, 1 Timotheus 5:4. Zij onderwezen ons, niet alleen opdat wij zelf zouden leren, maar opdat wij onze kinderen zouden onderwijzen de goede kennis van God, Psalm 78:6. En wij zijn ontrouw aan de plicht, die ons opgelegd is, indien wij dit niet doen, want het heilig pand van Gods dienstleer en wet werd in onze handen gegeven, met de last om het zuiver en ongeschonden over te leveren aan hen, die na ons komen zullen, 2 Timotheus 2:2.
d. Salomo zet aan zijn vermaningen kracht bij door het gezag van zijn vader David, een man, die in alle opzichten beroemd was in zijn tijd en geslacht. Laat er tot eer van de Godsdienst nota van worden genomen, dat de wijste en beste mensen van alle tijden ijverig geweest zijn, niet alleen om zelf de Godsdienst te belijden en in praktijk te brengen, maar om hem te verspreiden onder anderen, daarom moeten wij blijven in hetgeen we geleerd hebben, wetende van wie wij het geleerd hebben, 2 Timotheus 3:14.
2. Waarin dat onderwijs bestond, vers 4-13..
a. Bij wijze van voorschrift en vermaning. Toen David zijn zoon onderwees, heeft hij, hoewel die zoon een kind was van grote verstandelijke vermogens en van een zeer vlugge bevatting, zich met grote warmte en sterke bewoordingen uitgedrukt, want hij wilde tonen dat het hem ernst was met zijn onderwijs, en daarom heeft hij hem ook dezelfde zaak telkens en nogmaals ingeprent. Aldus behoren kinderen onderwezen te worden, Deuteronomium 6:7. Gij zult ze uw kinderen inscherpen. Hoewel David een man was van openbare werkzaamheid, en onderwijzers had voor zijn zoon, heeft hij toch zelf al die moeite genomen.
Ten eerste. Hij beval hem zijn bijbel aan, als het middel, zijns vaders woorden, vers 4, de woorden zijns monds, vers 5, zijn redenen, vers 10, al de goede lessen, die hij hem geleerd had, en misschien bedoelt hij inzonderheid het boek van de psalmen, waarvan velen "maskils" waren, psalmen ter onderwijzing, twee ervan worden uitdrukkelijk gezegd voor Salomo te zijn. Op deze en op al zijn andere woorden moet Salomo het oog hebben.
1. Hij moet ze horen en aannemen, vers 10, er vlijtig acht op geven, ze indrinken, zoals de aarde de regen, die menigmaal op haar komt, indringt, Hebreeën 6:7. God eist aldus onze aandacht voor Zijn woord: "Hoor, mijn zoon, en neem mijn redenen aan." 2. Hij moet Zijn woorden vasthouden, vers 4. Uw hart houde mijn woorden vast, en tenzij het woord verborgen wordt in het hart, opgenomen wordt in de wil en de genegenheden zal het niet vastgehouden worden.
3. Hij moet er zich door besturen: onderhoud mijn geboden, gehoorzaam ze, dat is het middel om in de kennis ervan toe te nemen, Johannes 7:17.
4. Hij moet ze aankleven, er bij blijven, "wijk niet van de redenen mijns monds, vers 5, alsof gij vreesde dat zij een al te krachtig bedwang voor u zullen zijn, maar grijp de tucht aan vers 13, vast besloten zijnde haar vast te houden en nooit los te laten." Zij, die een goede opvoeding hebben genoten, zullen bevinden dat, hoewel zij alles doen wat zij kunnen om er zich los van te maken, zij hun nog lang zal bijblijven, en als dit niet het geval is, dan is de toestand zeer treurig.
Ten tweede. Hij beveelt hem wijsheid en verstand aan als het doel, dat door het gebruik van deze middelen bereikt moet worden, die wijsheid, welke de voornaamste wijsheid is, verkrijg haar! "quod caput est sapientie cam acquire sapientiam Geef vooral acht op die tak van wijsheid, die er de bovenste tak van is," en die is de vreze Gods, Hoofdst. 1:7. Een beginsel van Godsdienst in het hart, dat is het Zijne nodige. En daarom:
1. Verkrijg deze wijsheid, verkrijg dit verstand, vers 5. En wederom: Verkrijg dan wijsheid en verkrijg verstand met al uw bezitting vers 7. Bid er om, doe er moeite voor, doe naarstigheid in het gebruik van alle verordineerde middelen om er toe te komen, waak aan de poort van de wijsheid, Spreuken 8:34.
2. Verkrijg heerschappij over uw bederf, dat uw dwaasheid is, verkrijg haar door ervaring verkrijg haar boven al uw bezitting, wees meer in zorg om haar te verkrijgen, en doe er meer moeite voor, dan om de rijkdom van deze wereld te verkrijgen, wat gij ook vergeet, die moet gij verkrijgen, beschouw dit als een grote verrichting, en als zodanig streef er naar. Ware wijsheid is Gods gave, en toch wordt ons hier geboden om haar te verkrijgen, want God geeft haar aan hen, die er voor arbeiden, en met dat al moeten wij toch niet zeggen onze kracht, en de sterkte onzer hand, heeft ons dit vermogen verkregen. Vergeet haar niet, vers 5. Verlaat haar niet vers 6 Laat haar niet varen, vers 13 maar bewaar haar. Zij, die deze wijsheid verkregen hebben, moeten er voor zorgen om haar niet weer te verliezen door tot dwaasheid weer te keren, het is inderdaad een goed deel, dat niet van ons genomen zal worden, maar dan moeten wij er ons ook voor wachten om het van ons weg te werpen als degenen, die het eerst vergeten, het hun geheugen laten ontglippen, en het dan verlaten, en van uit de goede weg wijken. Het goed, dat ons toevertrouwd is, moeten wij bewaren, en het niet laten vallen door zorgeloosheid, noch het ons laten ontweldigen, noch het ons laten ontfutselen door vleierij, laat zo'n juweel nooit uit uw handen.
3. Heb haar lief, vers 6, en omhels haar, vers 8, zoals wereldse mensen hun schatten liefhebben en hun hart er op zetten. De Godsdienst moet ons zeer dierbaar zijn, dierbaarder dan iets anders in deze wereld, en zo wij er niet toe kunnen komen om grote meesters in wijsheid te worden, zo laat ons oprechte beminnaars ervan zijn, en laat ons de genade, die wij hebben, met oprechte liefde omhelzen, als degenen, die haar schoonheid bewonderen. 4. Verhef haar, vers 8. Heb altijd hoge gedachten van de Godsdienst, spreek ervan met waardering en eerbied, en doe alles wat gij kunt om hem in eer te brengen, de eer ervan hoog te houden onder de mensen, werk samen met God tot dit doeleinde, hetwelk is de wet groot en heerlijk te maken, en te doen wat gij kunt om dit doel te bevorderen. Laat de kinderen van de wijsheid haar niet slechts rechtvaardigen, maar haar verheerlijken, en haar verkiezen boven hetgeen hun het liefst is in deze wereld. Door hen te eren die de Heere vrezen, al zijn zij ook zeer gering in de wereld en acht te geven op een arme wijze man, verheffen wij de wijsheid.
b. Bij wijze van beweegreden. Om aldus voor de wijsheid te arbeiden, en u aan haar leiding te onderwerpen, bedenk:
Ten eerste. Dat het het allervoornaamste is, datgene wat voor ieder mens de voornaamste en voortdurende zorg moet zijn in dit leven, vers 7. De wijsheid is het voornaamste, andere dingen, die wij wensen te verkrijgen en te behouden, zijn, daarbij vergeleken, niets, het is het gehele werk of ambt van de mens, Prediker 12:13. Het is hetgeen ons Gode aanbeveelt, de ziel versiert, ons in staat stelt om te beantwoorden aan het doel van onze schepping, nuttig te leven in de wereld en ten laatste naar de hemel te gaan, en daarom is het het voornaamste.
Ten tweede. Zij heeft rede en recht aan haar zijde, vers 11. "Ik onderwijs u in de weg van de wijsheid, van de ware wijsheid, aldus zal zij ten laatste bevonden worden, ik leid u, niet op een kromme weg van vleselijke staatkunde, maar in de rechte sporen, overeenkomstig de eeuwige regelen en redenen van goed en kwaad." De rechtheid van het Goddelijk wezen blinkt uit in de rechtheid van al de Goddelijke wetten.
Merk op: David heeft zijn zoon niet alleen goed onderwijs gegeven, maar hem ook geleid door een goed voorbeeld, en door algemene regelen toe te passen op bijzondere gevallen zodat er van zijn zijde niets ontbrak om hem verstandig te maken.
De derde. Het zal tot zijn eigen voordeel wezen. Indien gij wijs en Godvruchtig zijt, zult gij het voor uzelf zijn.
1. Het zal uw leven zijn, uw welzijn, uw geluk, het is datgene, zonder hetwelk gij niet kunt leven." Onderhoud mijn geboden, en leef vers 4. Hiermede komt overeen het woord van onze Heiland: Wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden, Mattheus 19:17. Het is op straffe des doods, van de eeuwige dood, en onder belofte van het leven, het eeuwige leven, dat van ons geëist wordt om Godsdienstig te zijn. Neem de reden van de wijsheid aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden, vers 10, zij zullen zovele zijn in deze wereld als de oneindige wijsheid geschikt acht, en in de andere wereld zult gij het leven leven, waarvan de jaren nooit geteld zullen worden, bewaar haar dus, wat het u ook moge kosten, want zij is uw leven, vers 13. Al uw voldoening zal hierin gevonden worden," en een ziel zonder ware wijsheid en genade is in werkelijkheid een dode ziel.
2. Zij zal uw hoedster en leidster wezen door al de gevaren en moeilijkheden van uw reis door deze woestijn. Heb de wijsheid lief en kleef haar aan, en zij zal u behoeden en bewaren, vers 6, voor zonde, het ergste van alle kwaad, de ergste van alle vijanden, zij zal u er voor behoeden om uzelf te deren, en dan kan niemand u deren. Zij zal ons bewaren voor belemmeringen en struikelblokken in het bestier over onszelf en over onze zaken vers 12.
a. Dat onze tred niet benauwd zal worden in ons gaan, dat wij onszelf niet in zulke moeilijkheden zullen brengen, als waarin David was, 2 Samuël 24:14. Zij, die Gods Woord tot hun regel maken, zullen wandelen in vrijheid en in zichzelf gerust zijn.
b. Dat onze voeten niet zullen struikelen, als wij lopen. Als wijze en Godvruchtige mensen plotseling een besluit moeten nemen, dan zal de vaste regel van Gods Woord, waaraan zij zich houden en waarnaar zij handelen, hen ook er voor bewaren om te struikelen over iets, dat verderflijk kan wezen. De oprechtheid zal ons behoeden.
3. Zij zal uw eer en achting zijn, vers 8. Verhef de wijsheid, toon gij slechts uw goede wil om haar te bevorderen, en hoewel zij uw diensten niet nodig heeft, zal zij ze toch overvloedig betonen, zij zal u verhogen zij zal u tot eer brengen. Salomo was bestemd om koning te zijn, maar zijn wijsheid en deugd zullen hem meer tot eer zijn dan zijn kroon of zijn purper, deze was het, om welke al zijn naburen zo'n eerbied voor hem hadden, en ongetwijfeld hadden onder zijn regering en onder die van David wijze en Godvruchtige mannen de meeste kans op bevordering. In elk geval zal de Godsdienst vroeg of laat al diegenen tot eer brengen, die hem van harte omhelzen, zij zullen welgevallig zijn aan God en geëerd worden door verstandige mensen, in de grote dag zullen zij worden erkend, en de eeuwige heerlijkheid zullen zij beërven. Daar legt hij nadruk op, vers 9, "zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een versiering van de genade in deze wereld, zal u beide aan God aanbevelen en aan de mensen, en in de andere wereld zal u een kroon van heerlijkheid worden gegeven, een kroon, die nooit zal verwelken. Dat is de ware eer, die de Godsdienst meebrengt, "Nobilitas sola est atque unica virtus Deugd is de enige adeldom." David aldus zijn zoon wijsheid aanbevolen hebbende is het geen wonder, dat deze, toen God hem zei te vragen om hetgeen hij begeerde, bad, "Heere, geef mij een wijs en verstandig hart." Wij moeten in onze gebeden doen blijken dat wij goed onderwezen zijn geworden.