Spreuken 23:1-3
De zonde, voor welke wij hier gewaarschuwd worden, is weelde en zucht naar zingenot, het toegeven aan lusten in eten en drinken, een zonde, die ons zeer lichtelijk omringt.
1. Hier wordt ons gezegd wanneer wij in verzoeking komen en het meest in gevaar zijn om in deze zonde te vallen. Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, dan is er grote overvloed voor u, verscheidenheid van spijzen en lekkernijen een tafel zoals gij zelden gezien hebt, gij zijt bereid, om evenals Haman, aan niets te denken dan aan de eer die u hiermede wordt aangedaan, Esther 5:12 en aan de gelegenheid, die gij hebt, om uw gehemelte te strelen, en gij vergeet dat u een strik gelegd is. Misschien is de verzoeking sterker en gevaarlijker voor iemand, die niet aan zo'n onthaal gewend is, dan voor iemand die altijd aan een goede tafel nederzit.
2. Hier wordt ons geboden om op zo'n tijd dubbel op onze hoede te zijn. Wij moeten
a. Begrijpen, dat wij in gevaar zijn, "Gij zult scherpelijk letten op hetgeen dat voor u is, welke spijs, drank gij voor u hebt, opdat gij kiest wat het veiligst voor u is, en waarvan gij het minst in gevaar zijt om in overmatigheid te gebruiken. Let op het gezelschap, dat voor u is, op de heerser zelf, die als hij wijs en Godvruchtig is, het als een belediging zal beschouwen, zo een van zijn gasten zich onordelijk gedraagt aan zijn tafel." En als wij scherpelijk moeten letten op hetgeen dat voor ons is, als wij aanzitten met een heerser, veel meer nog moeten wij dit doen als wij aanzitten om te eten met de Heerser van de heersers aan de tafel des Heeren, opdat wij in geen enkel opzicht onwaardiglijk eten en drinken, opdat die tafel ons geen strik worde. De strik voor overdaad moet ons tot matigheid dringen. "Zet een mes aan uw keel, weerhoud u, als het ware door een zwaard, dat u boven het hoofd hangt, van alle overdaad, alle onmatigheid. Laat deze woorden: Wacht u zielen, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en dat u die dag niet onvoorziens overkome, of deze: God zal om al deze dingen u doen komen voor het gericht, of deze: Geen dronkaards zullen het koninkrijk Gods beërven, een mes aan uw keel zijn." De Latijnen noemen weelde "gula de keel." Neem de wapenen op tegen die zonde. Wees matig, onthoud u van alle overdaad, veeleer dan u toe te geven in weelderigheid. Wij moeten ons nooit voeden zonder vreze, Judas: 12, maar zeer bijzonder moeten wij vrezen als de verzoeking voor ons is.
b. Wij moeten door met onszelf te redeneren tot een heilige minachting komen voor de bevrediging van de zinnen. nadien gij een gulzig mens zijt, dan moet gij door een dadelijk en vast besluit en door de schrik des Heeren u bedwingen, u onthouden. Als gij in gevaar zijt van u aan onmatigheid schuldig te maken, zet een mes aan uw keel, dat kan dan voor eens dienen, maar het is toch niet genoeg leg de bijl aan de wortel, dood die lust die zo'n macht over u heeft, laat u geen smakelijke spijzen gelusten." Wij moeten nagaan wat onze eigen ongerechtigheid is, als wij geneigd zijn tot een behagen van het vlees, dan moeten wij niet alleen op onze hoede zijn tegen verzoeking van buiten, maar het bederf van binnen tenonder brengen. De natuur begeert voedsel, en er is ons geleerd er om te bidden, maar het is lust, die naar lekkernijen haakt, en wij kunnen er niet in het geloof om bidden, want dikwijls zijn zij noch voor de geest noch voor het lichaam een geschikt voedsel. Zij zijn een leugenachtig brood, en daarom heeft David, inplaats van er om te bidden, er tegen gebeden, Psalm 141:4. Zij zijn aangenaam voor het gehemelte, maar gisten en verzuren in de maag, vanwaar zij oprispen en misselijkheid teweegbrengen. Zij geven de mensen de voldoening niet, die zij er zich van voorstelden, want als zij, die toegeven aan hun lusten, iets lekkers hebben, zijn zij er toch niet mee tevreden, zij worden het spoedig moede en moeten dan iets hebben, dat nog lekkerder is. Hoe meer men aan een weelderige smaak toegeeft, hoe lastiger hij wordt en hoe moeilijker te voldoen. Lekkernijen brengen slechts oververzadiging teweeg, maar verzadigen niet. Maar zij zijn inzonderheid hierom bedrieglijk brood, dat zij, terwijl zij het lichaam behagen, schade doen aan de ziel, zij overladen het hart en maken het ongeschikt voor de dienst van God, ja meer, zij nemen het hart weg en vervreemden de geest van geestelijke genietingen en bederven de smaak ervoor. Waarom zouden wij dan datgene begeren, dat ons gewis zal bedriegen?