Spreuken 12:1
Hier wordt ons geleerd om te zien of wij genade hebben of niet, door na te gaan hoe wij staan tegenover de middelen van de genade.
1. Zij, die genade hebben en haar beminnen, zullen een welgevallen hebben aan al het onderricht, dat hun gegeven wordt bij wijze van raad, vermaning of bestraffing door het Woord of de voorzienigheid van God, ze zullen een goede opvoeding waarderen, en het geen hardheid, maar een gelukkig voorrecht achten, om onder strenge en verstandige tucht te zijn. Zij, die een getrouwe Evangelieprediking liefhebben, haar waarderen en met genoegen er naar luisteren, doen blijken dat zij de wetenschap liefhebben.
2:Diegenen tonen niet alleen ontbloot te zijn van genade, maar ontbloot van gezond verstand, die het als een belediging opnemen, als men hen op hun fouten en gebreken wijst, het voor een verkorting van hun vrijheid aanzien om aan hun plichten herinnerd te worden. hij, die de bestraffing haat, is niet alleen dwaas maar onvernuftig, zoals het paard en de muilezel, hetwelk geen verstand heeft, of de os, die tegen de prikkel slaat. Zij, die begeren te leven in loszinnige gezinnen, waar zij onder geen bedwang zijn, die de overtuiging smoren van hun eigen geweten, en diegenen voor hun vijanden houden, die hun de waarheid zeggen, zijn de onvernuftigen, van wie hier gesproken wordt.