Psalm 90:1-6
Deze psalm heeft tot opschrift een gebed van Mozes, waar en in welk boek het van Mozes' tijd bewaard werd totdat de verzameling van de psalmen gemaakt begon te worden, is onzeker, maar ingegeven zijnde door Gods Geest, was het onder Zijn bijzondere bescherming. Misschien was het geschreven in het boek van Jasher, dat is het boek des oprechten, of wel in het boek van de oorlogen des Heeren. Mozes heeft het volk Israël geleerd te bidden, en heeft woorden in hun mond gelegd, waarvan ze gebruik konden maken als zij zich tot God wendden. Mozes wordt hier de man Gods genoemd, omdat hij een profeet was, de vader van de profeten, en een uitnemend type van de grote Profeet.
In deze verzen wordt ons geleerd:
1. Om Gode de lof te geven voor Zijn zorg over Zijn volk in alle tijden, vers 1. Heere, Gij zijt ons een woning geweest, een toevlucht, of hulp, van geslacht tot geslacht. Nu zij onder Gods misnoegen zijn gevallen, en Hij dreigde hen te zullen verlaten, pleiten zij op Zijn vroegere goedertierenheden jegens hun vaderen. Kanaän was een land van de vreemdelingschappen geweest voor hun vaderen, de patriarchen, die er in tenten gewoond hebben, maar toen was God hun een woning en waar zij ook heengingen, overal waren zij tehuis in Hem. Egypte was hun gedurende vele jaren een land van dienstbaarheid geweest, maar zelfs toen was God hun toevlucht, en in Hem leefde dit arme verdrukte volk en werd in het aanzijn gehouden. Ware gelovigen zijn tehuis in God, en dat is hun troost onder het zwoegen en zwerven, dat zij in deze wereld tot hun deel hebben. In Hem kunnen wij rusten en ons beschutten als in onze woning, onze toevlucht.
2. Gode de eer te geven van Zijn eeuwigheid, vers 2. Eer de bergen geboren waren, eer het hoogste deel van de stofjes van de wereld, zoals het uitgedrukt is in Spreuken 8:26 in wezen was, eer de aarde in barensnood kwam, of, zoals wij het kunnen lezen, eer Gij de aarde en de wereld geformeerd had, dat is voor het begin van de tijd, waart Gij in wezen, ja van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God, een eeuwig God, wiens bestaan, begin noch einde heeft met de tijd, en niet gemeten wordt naar de opvolgingen en wentelingen ervan, zonder begin van dagen, of einde des levens, of wisseling van tijd. Tegen al het leed, dat ontstaat uit onze eigen sterflijkheid, en de sterflijkheid van onze vrienden kan ons de onsterflijkheid Gods tot troost wezen, wij zijn stervende schepselen, en al ons genot en genoegen in de wereld is sterflijk, maar God is een eeuwig-levende God, en diegenen zullen Hem als zodanig bevinden die Hem tot hun God hebben.
3. Gods volstrekte souvereine heerschappij over de mens te erkennen, en Zijn onweerstaanbare, onbetwistbare macht om naar het Hem behaagt over hem te beschikken vers 3. Gij doet de mens wederkeren tot verbrijzeling, door het spreken van een woord als het U behaagt, tot verwoesting van het lichaam, van het aardse huis -en zegt: keert weer, gij mensenkinderen.
a. Als God de mens door ziekte, of door andere beproevingen, doet wederkeren tot verbrijzeling, roept Hij de mensen hierdoor om weer te keren tot Hem, dat is: om zich te bekeren van hun zonden en een nieuw leven te leiden. Deze God spreekt eenmaal, ja tweemaal. Bekeert u tot Mij, van wie gij afgevallen zijt, Jeremia 4:1. b. Als God dreigt de mens te doen wederkeren tot verbrijzeling hen ter dood te brengen, en zij in zichzelf het vonnis des doods hebben, wekt Hij hen soms verwonderlijk weer op, en zegt, zoals de oude vertaling het heeft: Keert weer tot leven en gezondheid. Want God doodt en maakt levend, Hij kan in de kuil nederstoten en er uit verlossen.
c. Als God de mensen doet wederkeren tot verbrijzeling, dan geschiedt het overeenkomstig het vonnis, dat over allen is uitgesproken, hetwelk luidt: Keert weer, gij mensenkinderen, de een zowel als de ander, keert terug tot uw eerste beginselen, laat het lichaam wederkeren tot de aarde, "het stof tot het stof," Genesis 3:19, en laat de ziel wederkeren "tot God, die haar gegeven heeft," Prediker 12:7.
d. Ofschoon God alle mensen doet wederkeren tot verbrijzeling, zal Hij toch bij de algemene opstanding zeggen: Keert weer, gij mensenkinderen, wanneer, hoewel een man gestorven is, hij toch weer zal leven, en dan zult Gij roepen, en ik zal antwoorden, Job 14:14-15. Gij zult mij zeggen weer te keren en ik zal wederkeren. Het lichaam en de ziel zullen beide wederkeren en zich weer verenigen.
4. Om de oneindige onevenredigheid te erkennen, die er is tussen God en de mens, vers 4. Sommigen van de patriarchen hebben bijna duizend jaren geleefd, Mozes wist dit zeer wel, en had het in de geschiedenis vermeld, maar wat betekent hun lang leven bij Gods eeuwig leven? Voor ons zijn duizend jaren een lang tijdperk, dat wij niet kunnen verwachten te overleven, of, indien wij het konden, wij zouden er de herinnering niet van behouden, maar in Uwe ogen zijn als de dag van gisteren, als een dag, als de dag, die nog het meest vers in het geheugen is, ja zij zijn slechts als een nachtwaak, die slechts drie uur duurde.
Duizend jaren zijn niets bij Gods eeuwigheid, zij zijn minder dan een dag, dan een uur bij duizend jaren. Er is tussen een minuut en een miljoen jaren nog enige proportie maar tussen die en de eeuwigheid is er geen. Het lange leven van de patriarchen was niets voor God, net zoveel als het leven van een kind, dat sterft op dezelfde dag als het geboren werd, tot het hunne. Al de gebeurtenissen van duizend jaren, hetzij in het verledene of in de toekomst, zijn voor de eeuwige Geest als tegenwoordig, als hetgeen gisteren geschied is, of in het laatste uur, het voor ons is, ja meer. Op de grote dag zal God tot hen, die Hij heeft doen wederkeren tot verbrijzeling, zeggen: Keert weer, staat op van de dood. Maar tegen de leer van de opstanding zou men kunnen zeggen dat het een lange tijd is sedert zij verwacht werd, en nog is zij niet gekomen. Laat dat geen bezwaar, geen moeilijkheid zijn, want duizend jaren zijn in Gods ogen slechts als een dag. "Nullum tempus occurrit Regi, Voor de Koning zijn alle tijdperken gelijk." Naar die strekking worden deze woorden aangehaald in 2 Petrus 3:8.
5. Om de broosheid te zien van de mens en zijn ijdelheid, zelfs in zijn beste staat vers 5, 6. Laat ons een blik slaan op al de kinderen van de mensen, en wij zullen zien:
a. Dat hun leven een stervend leven is, Gij voert hen henen weg, als met een overstroming vers 5, dat is: onophoudelijk vloeien zij henen op de stroom des tijds naar de oceaan van de eeuwigheid, de stroom blijft onophoudelijk vloeien, en zij worden er op medegevoerd. Zodra wij geboren zijn, beginnen wij te sterven, en iedere dag van ons leven brengt ons nader bij de dood, of wij worden met geweld en onweerstaanbaar medegevoerd als door een watervloed, als door een overstroming, die alles voor zich heen wegvaagt, of zoals de oude wereld weggevoerd werd door Noachs zondvloed. Hoewel God beloofd heeft de wereld niet nogmaals te doen overstromen, is toch de dood een voortdurende zondvloed.
b. Dat het een dromend leven is. De mensen worden henen weggevoerd als door een vloed en toch zijn zij als een slaap, zij geven geen acht op hun broosheid, en bespeuren niet hoe dicht zij tot de ontzaglijke eeuwigheid naderen. Gelijk mensen, die slapen, verbeelden zij zich grote dingen, tot de dood hen doet ontwaken, en een einde maakt aan de lieflijke droom. Onopgemerkt gaat ons de tijd voorbij, zoals voor mensen, die slapen, en als hij voorbij is, is hij als niets.
c. Dat het een kort en voorbijgaand leven is, zoals van het gras, dat opgroeit en bloeit, in de morgen een groen en lieflijk aanzien heeft, maar in de avond snijden de maaiers het af, en onmiddellijk verdort het dan, verandert van kleur en verliest al zijn schoonheid. Weldra zal de dood ons veranderen, misschien plotseling, en het is een grote verandering, die de dood in weinig tijds in ons teweeg zal brengen. In zijn jeugd, zijn lentetijd, bloeit de mens slechts als het gras, dat zwak is en lang, en teer, en blootgesteld aan weer en wind, en dat, als de winter van de ouderdom komt, vanzelf zal verdorren, maar hij kan ook weggemaaid worden door ziekte of ramp, zoals het gras afgemaaid wordt in het midden van de zomer. Alle vlees is als gras.