Psalm 17:1-7
Deze psalm is een gebed. Gelijk er een tijd is om te wenen, en een tijd om zich te verblijden, zo is er ook een tijd voor dankzegging, en een tijd voor gebed. David werd nu vervolgd, waarschijnlijk door Saul, die hem najoeg als een veldhoen op de bergen, van buiten was strijd, van binnen was vrees, en door beide werd hij als een smekeling heengedreven naar de troon van de genade.
In deze verzen wendt hij zich tot God bij wijze van beroep: Heere, hoor de gerechtigheid, laat aan mijn rechtvaardige zaak voor Uw rechterstoel gehoor verleend worden, en doe er uitspraak in, en bij wijze van smeking, neem ter ore mijn gebed, vers 1 en wederom: neig Uw oor tot mij, hoor mijne rede, vers 6. Niet alsof God het nodig heeft om door ons lastig aanhouden gedrongen te worden, maar Hij stond ons toe, om aldus onze vurige begeerte uit te drukken naar Zijn genadige verhoring van ons gebed. Op deze dingen pleit hij bij God om gehoor.
1. Dat hij oprecht was en niet veinsde in zijn gebed tot God. Het wordt met onbedriegelijke lippen gesproken. Hij meende wat hij sprak, en het gevoelen van zijn hart kwam overeen met de uitdrukkingen van zijn mond. Geveinsde gebeden zijn onvruchtbaar, maar als ons hart onze gebeden leidt, dan zal God er gunst aan betonen.
2. Dat hij ook op andere tijden gewoon was te bidden, en dat het dus niet zijn benauwdheid en gevaar waren, die hem nu voor het eerst tot het volbrengen van die plicht brachten. "Ik heb U vroeger aangeroepen, vers 6. daarom, Heere, hoor mij ook nu." Het zal een grote vertroosting voor ons wezen, als het leed, wanneer het komt, de raderen des gebeds in beweging vindt, want dan kunnen wij met te meer vrijmoedigheid tot de troon van de genade komen. Kooplieden zijn bereid diegenen te verplichten, die gedurende langen tijd hun klanten zijn geweest.
3. Dat hij door zijn geloof werd aangemoedigd om te verwachten dat God nota zou nemen van zijn gebeden. Elk weet dat Gij mij zult loven en daarom, o God, neig Uw oor tot mij. Ons gelovig steunen op God is een goede pleitgrond om kracht bij te zetten aan onze begeerten naar Hem. Laat ons nu zien:
4. Wat het beroep is, en merk daarbij op:
1. Wat het hof is, welks beslissing hij inroept, het is het hof des hemels. Heere, hoor Gij de gerechtigheid, want Saul is zo driftig en hartstochtelijk zo bevooroordeeld, dat hij het niet hoven wil. Heere, laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, vers 2, De mensen veroordelen mij om nagejaagd en gedood te worden als een kwaaddoener. Heere, van hen beroep ik mij op U. Dit deed hij in een openbaar betoog voor Sauls aangezicht, 1 Samuël 24:13. De Heere zal richten tussen mij en tussen u, en dit herhaalt hij hier in zijn eenzaam gebed. De billijkheid en uitgestrektheid van Gods regering en oordeel zijn een zeer grote steun voor de verongelijkte onschuld. Als wij in een verkeerd daglicht worden gesteld door onrechtvaardige mensen, dan is het onze troost dat wij een rechtvaardige God hebben, tot wie wij kunnen heengaan, die onze partij zal nemen, de beschermer is van de verdrukten, wiens oordeel naar waarheid is, door wiens ontdekkingen iedere persoon en elke zaak in het ware licht gesteld zullen worden, ontdaan van alle valse kleuren, en door wiens beslissingen alle onrechtvaardige vonnissen vernietigd zullen worden, en een ieder vergolden zal worden naar zijn werken. Oprechtheid schroomt geen onderzoek, neen, zelfs niet het onderzoek door God ingesteld naar de strekking van het verbond van de genade. Laat Uwe ogen de billijkheden aanschouwen. Gods alwetendheid is evenzeer de blijdschap van de oprechte als zij de verschrikking is van de geveinsde, en is bijzonder troostrijk voor hen, die vals beschuldigd worden en aan wie op de ene of andere wijze onrecht gedaan is.
2. Waarin het bewijs bestaat, waardoor hij op een goed geval hoopt van zijn beroep: God heeft zijn hart geproefd, vers 3. Gods oordeel is recht, omdat Hij altijd naar Zijn kennis tewerk gaat, die zekerder en meer onfeilbaar is, dan die de mensen door het nauwkeurigst onderzoek verkrijgen. Hij wist dat God hem geproefd had.
A. Door zijn eigen geweten, dat Gods plaatsvervanger is in de ziel. De ziel van de mensen is een lamp van de Heere, daarmee had God hem doorgrond, hem des nachts bezocht als hij in zijn hart sprak op zijn leger. Hij had zich onderworpen aan dit onderzoek, en was ernstig de handelingen van zijn leven nagegaan om te ontdekken wat er verkeerd in was, maar kon niets vinden van hetgeen zijn vijanden hem ten laste legden.
B Door de leidingen van Zijn voorzienigheid. God had hem geproefd naar de schone gelegenheid, die hij had, eenmaal en nogmaals, om Saul te doden. Hij had hem geproefd, door de boosaardigheid van Saul, het verraad van zijn vrienden en de vele tergingen en beledigingen, die hem waren aangedaan, zodat indien hij de man was, waarvoor men hem hield, dit toen gebleken zou zijn, maar bij al dit proeven werd er niets tegen hem gevonden, volstrekt geen bewijs van hetgeen waarvan zij hem beschuldigden.
God proefde zijn hart en kon getuigen van zijn oprechtheid, maar tot nader bewijs van zijn oprechtheid neemt hij zelf nota van twee dingen, waarvan zijn geweten hem mee getuigenis gaf.
a. Dat hij vast besloten was tegen alle zonden van de tong. "Ik heb mij voorgenomen en ben vast besloten in de kracht van Gods genade, dat mijn mond niet zal overtreden". Hij zegt niet: "ik hoop, of ik wens, dat mijn mond niet zal overtreden", maar "ik ben ten volle besloten, dat mijn mond niet zal overtreden". Met deze breidel (beperking) bewaarde hij zijn mond, Psalm 39:2. Voortdurende vastberadenheid en waakzaamheid tegen de zonden van de tong zullen een goed bewijs zijn van onze oprechtheid, "indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man," Jakobus 3:2. Hij zegt niet:" Mijn mond zal nooit overtreden" want wij struikelen allen in vele opzichten maar: "ik ben besloten, dat hij niet zal overtreden, en Hij, die het hart doorgrondt, weet of dit voornemen oprecht is.
b. Dat hij zich even zorgvuldig van zondige daden had onthouden als van zondige woorden, vers 4. "Aangaande de gewone werken van de mensen, de handelingen en zaken van het menselijk leven, ik heb mij naar het voorschrift van Uw woord gewacht voor de paden van de verderver". Sommigen verstaan dit in bijzondere zin-dat hij zelf geen verderver van Saul is geweest, toen dit in zijn macht was, en ook niet toegelaten had dat anderen het zijn zouden, maar tot Abisai had gezegd: "Verderf hem niet," 1 Samuël 26:9. Maar het kan in meer algemene zin worden genomen: hij onthield zich van alle boze werken en streefde er naar om, naar de plicht van zijn ambt, er ook anderen van terug te houden. De wegen van de zonde zijn paden van de verderver, van de duivel, wiens naam is Abaddon en Apollyon, een verderver, die de zielen verderft door ze heen te lokken naar de paden van de zonde. Het is voor ons allen van het uiterste belang om buiten de paden van de verderver te blijven, want indien wij wandelen op de wegen, die ten verderve voeren, dan zullen wij het onszelf te wijten hebben indien ten laatste verderf en ellende ons deel zal zijn. Het is door het Woord Gods als onze gids en regel, dat wij buiten de paden van de verderver moeten blijven, door de aanwijzingen en vermaningen daarvan te volgen Psalm 119:9. Indien wij alle paden van de zonde zorgvuldig mijden, dan zal het, als wij in benauwdheid en ellende zijn, zeer troostrijk wezen om hieraan te denken. Als wij "onszelf bewaren, zodat de boze ons niet vat met zijn verzoekingen," 1 Johannes 5:18, dan kunnen wij hopen dat hij ons niet zal vatten met zijn verschrikkingen.
II. Wat zijn bede is. Het is in korte woorden deze: dat hij het goede werk Gods in zich mocht ervaren, als een blijk van, en bevoegdmaking voor, de goede wil van God jegens hem, dat is genade en vrede van God de Vader.
1. Hij bidt om het werk van Gods genade in hem, vers 5. Houd mijn gangen in Uw paden, vers 5. Heere, ik heb mij door Uw genade afgehouden van de paden van de verderver, laat mij nu door diezelfde genade op Uw paden worden gehouden, laat mij niet alleen teruggehouden worden van te doen hetgeen boos is, maar opgewekt en verlevendigd worden om altijd overvloedig te zijn in hetgeen goed is. Laat mijn gangen in Uw paden gehouden worden, opdat ik er niet van afwijke, laat die opgehouden worden in Uwe paden, opdat ik niet struikele, niet in zonde valle, niet bedoele en mijn plicht verwaarloze. Heere, gelijk Gij mij tot hiertoe bewaard hebt, bewaar mij verder. Zij, die door genade op Gods paden gaan, hebben het nodig om te bidden, en zij bidden ook dat hun gangen op die paden gehouden zullen worden, want wij staan niet langer dan het Hem behaagt ons te steunen, ons op te houden, wij gaan niet verder dan het Hem behangt ons te leiden, ons te dragen. David was tot nu toe op zijn weg van de plicht gehouden, maar hij denkt niet dat dit een waarborg van veiligheid is voor het vervolg, en daarom bidt hij: "Heere, houd nog verder mijn gangen op Uw paden". Zij, die op de weg Gods willen volharden en voortgaan, moeten door geloof en gebed dagelijks nieuwe genade en kracht van Hem ontvangen. David wist dat zijn weg glibberig was, dat hij zelf zwak was, en niet zo vast gegrond als hij moest wezen, dat er waren, die ernaar uitzagen dat hij zou struikelen en van zijn minste struikeling tegen hem gebruik zouden maken, en daarom bidt hij: "Heere, ondersteun mij, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen, dat ik nooit iets zal zeggen of doen, dat of de schijn heeft van oneerlijkheid, of van wantrouwen in U, Uwe voorzienigheid en Uwe belofte".
2. Hij bidt om de tekenen van Gods gunst jegens hem, vers 7.
Merk hier op:
A. Hoe hij God beschouwt als de beschermer en redder van Zijn volk, zo noemt hij Hem, en daaraan ontleent hij bemoediging voor zijn gebed. Gij, die door Uw rechterhand redt, die degenen die op U betrouwen, van degenen, die tegen hen opstaan, vers 7 hen redt door Uw eigen macht en kracht, en er de hulp van niemand anders voor nodig hebt. Het is de aard van Gods volk om op Hem te Getrouwen, het behaagt Hem om hen tot Zijn vertrouwelingen te maken, want Zijn verborgenheid is voor de rechtvaardigen, en zij maken Hem tot hun betrouwen, want zij geven zich aan Hem over, vertrouwen zichzelf aan Hem toe. Zij, die op God betrouwen hebben vele vijanden, velen die tegen hen opstaan en hun verderf zoeken maar zij hebben een vriend, die machtig is hen allen te staan, met hen allen te handelen, en als Hij voor hen is, dan doet het er niet toe, wie tegen hen is. Hij acht het Zijn eer om hun redder te zijn. Zijn almachtige kracht wordt voor hen te werk gesteld, en allen hebben zij Hem bereid gevonden om hen te verlossen Sommigen vertalen het: Gij, die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan. Zij, die vijanden zijn van de heiligen zijn rebellen tegen God en Zijn rechterhand, en daarom zal Hij ongetwijfeld ter bestemder tijd tegen hen verschijnen.
B. Wat hij van God begeert en verwacht: Toon Uw wonderbare goedertierenheid. Het woord betekent:
a. Onderscheidene gunsten. Stel Uwe goedertierenheid afzonderlijk voor mij, zendt mij niet henen met gewone zegeningen of weldadigheden, maar wees mij genadig naar het recht, aan degenen die Uw naam beminnen.
b. Wonderbare gunsten. Maak Uw weldadigheden wonderbaar. Heere, betoon mij Uw gunst op zo'n wijze, dat ik en anderen ons er over verwonderen. Gods goedertierenheid is wonderbaar om het vrije en volkomene ervan, soms blijkt zij zeer bijzonder wonderbaar te zijn, Psalm 118:23, en zeer zeker zal zij dit blijken te zijn in de verlossing van de heiligen als Christus komt om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en wonderbaar te worden in allen die geloven.