Jeremia 4:1-2
Toen God het afgekeerde Israël riep om terug te keren, Hoofdstuk 3:22, antwoordde het onmiddellijk: Heere wij komen! Thans neemt God kennis van hun antwoord en merkt daaromtrent aan het volgende.
I. Hij geeft aanwijzing hoe zij hun goede voornemen kunnen volbrengen. Zegt gij: ik zal wederkeren? dan:
1. Moet gij wederkeren tot Mij, en dat met hart en ziel doen. Keert u niet alleen af ven uw afgoderijen, maar keert terug tot de ingestelde eredienst van de God van Israël. Of: gij moet terugkeren spoedig en zonder vertraging, gelijk Jesaja 21:12. Wilt gij vragen vraagt! Zo gij tot Mij wilt wederkeren, praat er dan niet over, maar doe het.
2. Gij moet geheel en al alle zonden verlaten, en geen gedenktekenen van uw afgoderij achterwege houden, gij moet al uw verfoeiselen van Mijn aangezicht wegdoen, dat is van alle plaatsen wegdoen, want elke plaats is onder het oog van God, voornamelijk uit de tempel, het huis waarop Hij in bijzondere zin het oog had, om te zien of het rein gehouden werd. Daar wordt door aangeduid dat hun afgoderijen niet alleen ergerlijk, maar beledigend in het oog van God waren. Zij waren afschuwelijkheden waarvan Hij het gezicht niet kon verdragen, zij moesten dus van voor Zijn aangezicht weggedaan worden want zij waren een uitdaging in de reine ogen van Gods heerlijkheid. Zonden moeten weggedaan worden uit het hart, anders zijn zij niet weggedaan van voor Gods aangezicht, want het hart en al wat er in is ligt bloot voor Zijn ogen.
3. Zij moeten niet tot de zonde wederkeren, zo verstaan sommigen de uitdrukking: zo zwerf niet om, en lezen daar: Gij moogt en moet niet dwalen. Indien gij uw verfoeiselen wegdoet en die dan niet meer achterna dwaalt dan is het wel.
4. Zij moeten Gode de eer geven, die zij aan Zijn naam verschuldigd zijn, vers 2. Zweer: zo waarachtig als de Heere leeft. Zijn bestaan zal u de heiligste daadzaak zijn, want niets is meer zeker, en Zijn oordeel het opperste gerechtshof, waarop gij u kunt beroepen, want niets is ontzagwekkender. Eedzweren is een daad van godsdienstige verering, waarin wij op drieerlei wijze God de eer geven.
a. Wij moeten zweren alleen bij de ware God, en niet bij schepselen of enige valse goden, -bij de levende God, niet bij dove, stomme en dode goden, -bij Hem alleen, en niet bij de Heere en bij Malkam, Zefanja 1:5.
b. Wij moeten bezweren alleen wat waar is, in waarheid, in recht en in gerechtigheid, niet durvende verzekeren hetgeen vals is of waarin wij weten niet oprecht te zijn, niet als zeker volhouden hetgeen twijfelachtig is, of beloven hetgeen wij niet voornemens zijn te vervullen, niet de eens gedane belofte verwringen. Onwaarheid spreken en ongerechtigheid doen is slecht, maar dat te steunen met een eed, is nog veel erger.
c. Wij moeten het plechtig doen, zweren in gerechtigheid of in de rechtzaal, dat is wanneer het door de rechter gevorderd wordt, en niet in de gewone samenleving. Onbedacht zweren is een even grote belediging van Gods naam als plechtig zweren een verering van die naam is. Zie Deuteronomium 10:20, Mattheus 5:34, 37. II. Hij moedigt hen aan daarin standvastig te blijven en hun besluiten na te leven. Indien de verstrooide Israëlieten aldus tot God terugkeren,
1. Dan zullen zij zelf gezegend worden, want dat is de bedoeling van de eerste woorden, die aldus kunnen gelezen worden: Zo gij tot Mij wilt terugkeren, dan zult gij terugkeren, dat is, dan zult gij uit uw gevangenschap in uw eigen land teruggebracht worden, zoals vanouds beloofd is, Deuteronomium 4:29, 30:2. Of: dan zult gij rusten in Mij, gij zult tot Mij terugkeren als uw rust, zelfs nog terwijl gij in het land uwer gevangenschap zijt.
2. Dan zullen zij een zegen zijn voor anderen, want hun terugkeer tot God zal ook een middel zijn voor anderen, die Hem nooit gekend hebben, om tot Hem te komen. Indien gij de levenden Heere wilt aannemen, dan zult gij daardoor invloed hebben op de volken, onder welke gij verkeert om hen in Hem te zegenen, zij zullen hun geluk stellen in Zijn gunst en zich gezegend achten omdat zij er toegebracht zijn om Hem te vrezen. Zie les. 65:16. Zij zullen zich zegenen in de God van de waarheid, en niet in de valse goden, zullen zichzelf de eer aandoen en de voldoening geven van zich tot Hem te voegen, en dan zal in Hem hun heerlijkheid zijn, zij zullen Hem tot hun heerlijkheid maken en zullen zich verheugen in, ja beroemen op de gelukkige ruil, die zij gedaan hebben. Zij die hun zonden verlaten om tot God terug te keren, zullen ofschoon zij eerst bij de verandering huiverden zich in Hem beroemen.