Psalm 77:1-11
Wij hebben hier de levendige voorstelling van een godvruchtig man, die onder overheersende droefgeestigheid is gekomen, in die ruisende kuil is gevallen en wegzinkt in dat modderig slijk, maar worstelt om er uit te komen. Neerslachtige heiligen, die bezwaard van geest zijn, kunnen in deze spiegel hun eigen gelaat zien. De strijd, die de psalmist te strijden heeft gehad met zijn droefheid en vrees, schijnt voorbij te zijn geweest toen hij deze psalm schreef om hem te vermelden, want hij zegt: Mijne stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen, vers 2, waarvan hij de troostrijke bewustheid niet had zolang de strijd duurde, zoals hij haar later gehad heeft, maar hij vermeldt het aan het begin van zijn verhaal, om reeds dadelijk te kennen te geven dat zijn ellende niet in wanhoop is geëindigd, want God had hem verhoord, en eindelijk wist hij dat God hem verhoord had.
Merk op:
I. Zijn treurige gebeden. In lijden zijnde, bad hij, Jakobus 5:13, en in zware strijd zijnde, bad hij te ernstiger, vers 2. Mijne stem is tot God, en ik roep, mijne stem is tot God. Hij was vol van klachten, maar hij richtte ze tot God en verkeerde ze alle in gebeden, luid uitgesproken gebeden, zeer ernstige en zeer dringende gebeden. Aldus gaf hij lucht aan zijn smart en verkreeg enige verlichting, en aldus sloeg hij de rechte weg in om verlichting te verkrijgen, vers 3 Ten dage mijner benauwdheid zocht ik de Heere. Dagen van benauwdheid moeten dagen zijn van gebed, inzonderheid dagen van inwendige benauwdheid, als God zich van ons schijnt teruggetrokken te hebben, dan moeten wij Hem zoeken, Hem zoeken totdat wij Hem vinden. Ten dage van zijn benauwdheid zocht hij niet de afleiding van met zijn zaken bezig te zijn, of van vermaak, om op die wijze zijn treurigheid van zich af te schudden maar hij zocht God, Zijn gunst en genade. Zij, die neerslachtig van geest zijn, moeten niet denken dat te kunnen wegdrinken, of te kunnen weglachen, zij moeten het wegbidden. Mijne hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af, waarmee het aanhoudende dringen van zijn gebeden te kennen wordt gegeven. Vergelijk Psalm 143:5, 6.
II. Zijn treurige smart. Smart kan met recht treurig genoemd worden:
1. Als zij zonder tussenpozen is, zodanig was de zijne. Mijn zweer, of wond, etterde in de nacht of bloedde inwendig, en hield niet op, neen, ook niet in de tijd, bestemd voor rust en slaap.
2. Als zij geen vertroosting toelaat, en ook dit was met hem het geval, mijne ziel weigerde getroost te worden, hij was niet gezind om te luisteren neer hen, die zijn vertroosters wilden zijn. "Als edik op salpeter is hij, die liedekens zingt bij een treurig hart", Spreuken 25:20. En evenmin had hij lust om te denken aan de dingen die hem tot vertroosting konden wezen, hij deed ze verre van zich als iemand, die zich toegeeft in smart. Zij, die om enigerlei reden in smart zijn, benadelen niet alleen zichzelf maar beledigen God, als zij weigeren getroost te worden.
III. Zijn treurig peinzen, hij staarde zolang op zijn leed, persoonlijk of openbaar leed, waarin het ook moge bestaan hebben, dat:
1. De methoden, die hem verrichting hadden moeten Verzorgen, zijn smart slechts vermeerderden, vers 4.. a. Men zou gedacht hebben dat de herinnering aan God hem had moeten vertroosten, maar zo was het niet. "Ik dacht aan God en was beroerd,' zoals Job, "hierom word ik voor Zijn aangezicht ontroerd, ik aanmerk het en vrees voor Hem," Job 23:15. Als hij zich God voor de geest bracht, dan bepaalden zijn gedachten zich slechts bij Zijn gerechtigheid, en toorn, en ontzaglijke majesteit, en zo werd God zelf een verschrikking voor hem.
b. Men zou gedacht hebben dat het hem verlichting zou gegeven hebben, om zijn ziel uit te storten voor God, maar zo was het niet. hij klaagde, en toch was zijn ziel overstelpt, zij zonk weg onder de last.
2. De middelen voor zijn tegenwoordige verlichting waren hem ontzegd, vers 5. Hij kon geen slaap genieten, die als hij rustig en verkwikkend is, een parenthesis voor onze smarten en zorgen. "Gij hieldt mijne ogen wakende door Uwe verschrikkingen, hij was zat van woelingen tot aan de schemertijd." Hij kon niet spreken vanwege de wanorde in zijn denkbeelden en de beroering van zijn geest, hij zweeg zelfs van het goede, terwijl zijn hart heet was in zijn binnenste, hij was op het punt van "te bersten zoals een nieuwe lederzak,' Job 32:19, en toch zo ontroerd, dat hij niet kon spreken om zich te verkwikken. Nooit drukt de smart de geest zo ter neer, als wanneer zij gesmoord wordt.
IV. Zijn treurige overdenkingen, vers 6, 7. "Ik overdacht de dagen van ouds, en vergeleek ze met de tegenwoordige dagen, en door onze vroegere voorspoed worden onze tegenwoordige rampen slechts verzwaard, want wij zien de wonderen niet, die onze vaders ons verteld hebben. Neerslachtige mensen zijn geneigd om maar altijd aan de dagen van ouds te denken, aan de jaren van de oude tijd, en ze te verheerlijken ter rechtvaardiging van hun eigen onbehaaglijkheid en ontevredenheid onder de tegenwoordige staat van zaken. Maar zeur niet "dat de vorige dagen beter geweest zijn dan deze," want gij weet niet of zij dit al of niet geweest zijn, Prediker 1:10.. En zo moet het lieflijke, dat wij verloren hebben, ons niet ondankbaar maken voor het goede, dat ons gelaten is, of ongeduldig onder het kruis, dat ons is opgelegd.
Inzonderheid bracht hij zich zijn liederen in de nacht voor de geest, de vertroostingen, die hem onder zijn vroegere smarten hadden ondersteund, en hem vroeger in zijn eenzaamheid hadden opgebeurd. Deze liederen herdacht hij, en hij beproefde of hij ze niet wederom kon zingen, maar hij was er niet voor gestemd, en de herinnering er aan deed "zijn ziel slechts in hem uitstorten," Psalm 42:5. Zie Job 35:10.
V. Zijn treurige vrees en bekommernis. Ik overlegde in mijn hart, vers 7. Welaan, mijne ziel, wat zal het einde wezen van dit alles? Wat kan ik ervan denken, wat kan ik als gevolg ervan verwachten? Ik heb naarstig gezocht naar de oorzaken van mijn leed, vragende waarom God met mij twistte, en wat er de gevolgen van zouden zijn. En ik begon aldus te redeneren: Zal dan de Heere in eeuwigheid verstoten, zoals Hij het nu doet? Hij is thans niet goedgunstig, zal Hij voortaan niet meer goedgunstig zijn Hij is thans niet goedertieren, houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Thans faalt Zijn belofte, heeft de toezegging een einde van geslacht tot geslacht? God is thans niet genadig, maar heeft Hij vergeten, genadig te zijn? Zijn barmhartigheden zijn ons onthouden, in wijsheid misschien, maar zijn zij toegesloten, toegesloten in toorn? Vers 8-10. Dit is de taal van een troosteloze, verlaten ziel, die in duisternis wandelt en geen licht heeft, een toestand, niet ongemeen zelfs voor hen, die "de Heere vrezen en naar de stem Zijns knechts horen," Jesaja 50:10. Hij kan hier beschouwd worden:
1. Als zuchtende onder een zwaar leed-God verborg Zijn aangezicht voor hem en onthield hem de gewone tekenen van Zijn gunst. Geestelijke droefheid is meer dan alle andere smartelijk voor een Godvruchtige ziel, niets wondt en doorvlijmt hem zo als de vrees, dat God toornig is, het onthouden van Zijn gunst, het opschorten van Zijn belofte, hierdoor wordt de geest verslagen, en wie kan dat dragen?
2. Als worstelende met een sterke verzoeking. In een dag van de wolk en van de donkerheid kan Gods volk in verzoeking zijn om tot wanhopige gevolgtrekkingen te komen omtrent hun eigen geestelijke staat en de toestand van Gods kerk en koninkrijk in de wereld, en voor beide alles maar als verloren op te geven. Wij kunnen in verzoeking zijn om te denken dat God ons verlaten heeft, ons heeft verstoten, dat het verbond van de genade ons faalt, en dat Gods barmhartigheden ons voor eeuwig onthouden zullen worden. Maar wij moeten aan zodanige gedachten geen gehoor geven. Als vrees en neerslachtigheid zulke korzelige, gemelijke vragen doen, laat het geloof er dan op antwoorden met de Schrift: "Zal de Heere in eeuwigheid verstoten? Dat zij verre", Romeinen 11:1. Neen "de Heere zal Zijn volk niet begeven," Psalm 94:14. Zal Hij niet meer goedgunstig zijn? Dat zal Hij wel, want "als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij zich ontfermen,' Klaagliederen 3:32. Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op Neen, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid, gelijk zij van eeuwigheid is zo is zij tot in eeuwigheid Psalm 103:17. Heeft de toezegging een einde? Neen, het is onmogelijk dat God liege, Hebreeën 6:18. Heeft God vergeten genadig te zijn? Neen, Hij kan zichzelf niet verloochenen, en Zijn eigen naam, onder welke Hij zich bekend gemaakt heeft, is genadig en barmhartig, Exodus 34:6. Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Neen, zij "zijn allen morgen nieuw," Klaagliederen 3:23, en daarom: "Hoe zal Ik u overgeven, o Efraïm?" Hosea 11:8, 9.
Aldus voer hij voort met zijn sombere, treurige vrees, toen hij zich plotseling inhield met dat woord: sela. "Sta stil, houd op, ga niet verder, laat ons niets meer van deze vermoedens des ongeloofs horen," en toen bestrafte hij zichzelf, vers 11. Ik zei: Dit is mijne zwakheid. Spoedig bemerkt hij dat hij niet wel had gesproken, en daarom: Waarom buigt gij u neer, o mijne ziel? Ik zei: Dit is mijne beproeving," zo lezen het sommigen dit is de ramp, die mij treft, en ik moet haar dragen, zo goed ik kan, iedereen heeft zijn beproeving, zijn doorn in het vlees, en dit is de mijne, het kruis, dat ik moet opnemen. Of liever. "Dit is mijne zonde, het is mijne ongerechtigheid, de plaag van mijn eigen hart." Deze twijfelingen en vrees komen voort uit gebrek aan en zwakheid van geloof, en het bederf van een gemelijk gemoed. Wij allen weten datgene van onszelf, waarvan wij moeten zeggen: "Dit is onze zwakheid, een zonde, die ons lichtelijk omringt." Moedeloosheid en wantrouwen van God onder beproeving zijn maar al te dikwijls de zwakheid van godvruchtige mensen, en als zodanig moeten wij er van spreken met smart en schaamte, zoals de psalmist er hiervan spreekt: Dit is mijn zwakheid. Als dit te eniger tijd in ons werkt, dan moeten wij het opkomen ervan aldus onderdrukken, en de boze geest niet toelaten te spreken. Wij moeten de opstand van het ongeloof wegredeneren zoals de psalmist het hier doet, maar ik zal gedenken de Jaren van de rechterhand des Allerhoogsten. Hij had de jaren van de eeuwen overdacht, vers 6, de zegeningen, tevoren genoten, de herinnering waaraan zijn smart slechts verzwaarde, maar nu beschouwde hij ze als de jaren van de rechterhand des Allerhoogsten, dat die zegeningen in de oude tijden kwamen van de Oude van dagen van de macht en souvereine beschikking van de rechterhand van Hem, die God, boven allen te prijzen is in eeuwigheid, en dit stelde hem tevreden immers, mag de Allerhoogste met Zijn rechterhand de veranderingen niet maken, die Hij wil?