Spreuken 25:20
1. De ongerijmdheid, die hier bestraft wordt, is liederen te zingen bij een treurig hart. Zij, die in grote droefheid zijn moeten vertroost worden door medegevoel, door in te stemmen met hun klacht, als wij deze methode volgden, dan zou de beweging onder lippen smart verzachten, Job 16:5, maar wij gaan op verkeerde wijze bij hen te werk als wij denken hun verlichting te verschaffen door vrolijk bij hen te wezen en te pogen hen vrolijk te maken, want het doet nog toe aan hun smart, om te zien dat hun vrienden zich zo weinig om hen bekommeren, het maakt dat zij de oorzaken hunner smart weer ophalen en ze verzwaren, zodat zij zich in hun smart verharden tegen de aanvallen van de vrolijkheid.
2. De ongerijmdheden, waarmee dit vergeleken wordt, zijn iemand een kledingstuk te ontnemen in koud weer, waardoor hij nog kouder wordt, of edik te gieten op salpeter, hetgeen evenals water op kalk het aan het gisten brengt zo ongepast en onbetamelijk is het om vrolijke liederen te zingen bij iemand, die bedroefd van hart is. Sommigen lezen het in tegenovergestelden zin: "Gelijk hij, die een kleed aandoet in kwaad weer, het lichaam verwarmt, of, gelijk edik op salpeter het oplost, zo zal hij, die liederen van troost zingt bij iemand, die treurig is, hem verkwikken en zijn droefheid verdrijven".