Job 23:13-17
Sommigen denken dat Job hier klaagt, dat God onrechtvaardig en onbillijk met hem gehandeld heeft door voort te gaan met hem te straffen zonder er ook maar in het minst mee op te houden of de straf ook maar in het geringst te verminderen, ofschoon hij zulke onbetwistbare bewijzen had van zijn onschuld. Ik zou niet gaarne denken dat de Godvruchtige Job de heilige God onrecht ten laste legt, maar zijn klacht is werkelijk bitter en gemelijk, en het is alsof hij zich met geweld tot geduld en lijdzaamheid moet brengen, en dit niet kan zonder afkeurende aanmerkingen te maken op God, dat Hij hard met hem handelt, maar dat hij dit dragen moet omdat hij er niets aan doen kan. Het ergste wat hij van God zegt is, dat Hij onverantwoordelijk met hem handelt.
1. Hij spreekt goede waarheden, waarvan een goed gebruik kan worden gemaakt, vers 13, 14.
A. Dat Gods raad onveranderlijk is. Hij is een van zin, en wie kan Hem dan afkeren? vers 13. Hij is Een, zo lezen het sommigen of Hij is in een. Hij heeft geen raadslieden door wier invloed Hij er toe gebracht zou kunnen worden om Zijn voornemens te veranderen. Hij is een met zichzelf, en verandert nooit van zin of van wil, brengt nooit verandering in Zijn maatregelen. Het gebed heeft bij Hem overmocht om verandering te brengen in Zijn wijze van doen, in de beschikkingen van Zijn voorzienigheid, maar nooit is Zijn wil, Zijn voornemen of bedoeling veranderd, want Gode zijn al Zijn werken bekend.
B. Dat Zijn macht onweerstaanbaar is. Wat Zijn ziel begeert, of bedoelt, dat Hij zal doen, en niets kan Hem in de weg staan, of Hem tot andere gedachten brengen. De mensen begeren vele dingen, die zij of niet doen mogen, of niet doen kunnen, of niet durven doen, maar God heeft een onbetwistbare vrijmacht, Zijn wil is zo volkomen rein en goed, dat het ten hoogste gepast is, dat Hij al Zijn bepalingen ten uitvoer brengt, en Hij heeft een onbedwingbare macht, "daar is niemand die Zijn hand kan afslaan, al wat de Heere behaagt, doet Hij," Psalm 135:6, en zal Hij steeds doen, want het is altijd het beste.
C. Dat alles wat Hij doet, naar de raad Zijns willens is, vers 14. Hij zal volbrengen wat over mij bescheiden is, wat er ook met ons geschiedt, het is God, die het doet, Psalm 57:3 en een zeer bewonderenswaardig werk zal het blijken te zijn, dat Hij volbracht heeft, als de verborgenheid Gods voleindigd zal zijn. Hij volbrengt al hetgeen bescheiden is op de bestemde tijd en naar de bepaalde wijze, dit kan ons tot zwijgen brengen, want wat bescheiden of bestemd is, kan niet worden veranderd. Maar de overweging dat, toen God ons het eeuwige leven en de heerlijkheid bescheiden heeft als ons doel, Hij ook die toestand, deze beproeving- waarin die ook mogen bestaan-voor ons bescheiden, of bestemd heeft op onze weg, kan meer doen dan ons tot zwijgen brengen, zij kan ons de overtuiging geven dat alles voor het beste is, wat Hij nu doet weten wij niet, maar wij zullen het na deze verslaan.
D. Dat alles wat Hij doet naar de gewonen loop van Zijn voorzienigheid is, dergelijke dingen zijn er vele bij Hem, dat is: in de loop van Zijn voorzienigheid doet Hij vele dingen, waarvan wij ons geen rekenschap kunnen geven, maar die wij aan Zijn volstrekte vrijmacht moeten toeschrijven. Welk leed ons ook overkomt, anderen hebben hetzelfde ervaren, ons geval, onze toestand is niet enig, hetzelfde lijden wordt volbracht aan onze broederschap, 1 Petrus 5:9. Zijn wij ziek en pijnlijk, verarmd en beroofd, zijn ons kinderen ontnomen door de dood, zijn onze vrienden onvriendelijk? Dit is het "wat God over ons bescheiden heeft, en dergelijke dingen zijn er vele bij Hem. Zal de aarde om onzentwil verlaten worden?"
2. Van deze goede waarheden maakt hij een slecht gebruik. Indien hij er behoorlijk over had nagedacht, hij zou gezegd kunnen hebben: "Daarom ben ik gerust en tevreden, verzoend met de weg, die God met mij houdt en daarom zal ik mij verblijden in de hoop dat alles nog goed uitkomen zal." Maar hij zei: Hierom word ik voor Zijn aangezicht ontroerd vers 15. Diegenen zijn in waarheid ontroer! van geest, die ontroerd zijn voor het aangezicht Gods, zoals de psalmist, die, "als hij aan God dacht, ontroerd werd," Psalm 77:4. Zie in welk een verwarring de arme Job zich nu bevond, want hij sprak zichzelf tegen, zoëven was hij ontroerd wegens Gods afwezigheid, vers 8, 9, nu is hij ontroerd voor Zijn aangezicht, dat is: in Zijn tegenwoordigheid: ik aanmerk het, en vrees voor Hem. Wat hij nu gevoelde, deed hem vrezen voor erger. Er is inderdaad ook datgene, hetwelk, als wij het aanmerken, er over denken, ons tonen zal dat wij reden hebben om voor God te vrezen- Zijn oneindige gerechtigheid en reinheid, vergeleken met onze zondigheid en snoodheid. Maar, indien wij daarbij Zijn genade beschouwen in de Verlosser en dankbaar die genade aannemen, dan zal de vrees verdwijnen, en wij zullen reden zien om op Hem te hopen.
Zie welk een indruk de wonden van zijn geest op hem maakten.
A. Hij was zeer bevreesd, vers 16, de Almachtige heeft hem beroerd, en aldus zijn hart week gemaakt, dat is volkomen onmachtig om iets te dragen en bevreesd voor alles wat hem bewoog. Er is een Godvruchtige weekheid, zoals die van Josia, wiens hart teder was en beefde voor het woord van God, maar hier wordt een smartelijke weekheid bedoeld, die voor alles wat tegenwoordig is doet vrezen, als iets drukkends, en voor alles in de toekomst, als iets dat dreigend is.
B. Hij was zeer verdrietig en gemelijk, want hij twist met God, vers 17..
a. Omdat hij niet gestorven is voordat zijn rampen over hem kwamen, zodat hij ze dan nooit aanschouwd zou hebben-omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis. -En toch-indien hij op de hoogte van zijn voorspoed opgeroepen was naar het graf, hij zou het hard gevonden hebben. Dit kan er toe bijdragen om ons te verzoenen met de dood als hij komt, namelijk dat wij niet weten van welk kwaad wij worden weggenomen. Maar als het verdriet, het leed komt, dan is het dwaasheid om te wensen dat wij het niet beleefd hadden, en dan is het beter om er ons voordeel mee te doen.
b. Omdat hij zolang in het leven gelaten werd temidden van zijn lijden, en de duisternis van zijn aangezicht bedekt was in het graf. Wij zouden de duisternis beter verdragen, indien wij slechts wilden gedenken dat er voorde oprechten soms een verwonderlijk, heerlijk licht ontstaat in de duisternis, maar er is een nog heerlijker licht voor hen bewaard na de duisternis.