Deuteronomium 32:7-14
Mozes had hun in het algemeen God voorgesteld als hun grote Weldoener, die zij uit dankbaarheid verplicht waren waar te nemen en te gehoorzamen, en nu geeft hij hun in deze verzen bijzondere voorbeelden van Gods goedheid jegens hen en zorg voor hen.
1. Sommige voorbeelden er van waren oud en ten bewijze van die beroept hij zich op de geschiedenis, vers 7. Gedenk aan de dagen van ouds, dat is: "Houd in gedachtenis de geschiedenis van die dagen en van de wonderbare leidingen van Gods voorzienigheid betreffende de oude wereld, en betreffende uw voorouders, Abraham, Izaak en Jakob, gij zult een voortdurende reeks vinden van zegeningen, die hen hebben vergezeld, en hoe lang reeds hebben niet alle dingen medegewerkt tot hetgeen nu geschiedt!" De authentieke geschiedenissen van de oude tijden zijn van bijzonder nut, en inzonderheid de geschiedenis van de kerk in haar kindsheid zowel van de Oud Testamentische, als van de Nieuw Testamentische kerk.
2. Anderen waren van latere tijd, en tot bewijs van deze beroept hij zich op hun vaderen en hun oudsten, die nu leefden en bij hen waren. Ouders moeten hun kinderen vlijtig leren niet alleen het woord van God Zijn wetten, Hoofdstuk 6:7, en de betekenis van Zijn inzettingen, Exodus 12:26, 27, maar ook Zijn werken, en de methoden van Zijn voorzienigheid, zie Psalm 78:3, 4, 6, 7. En de kinderen moeten de kennis van deze dingen begeren, die nuttig zullen zijn om hen aan te sporen tot hun plicht en hen er bij te houden.
Over drie dingen wordt hier uitgeweid als voorbeelden van Gods goedheid jegens het volk van Israël, en van hun sterke verplichting om Hem nooit te verlaten.
I. De vroege bestemming van het land Kanaän tot hun erfdeel, want hierin was het het type van ons hemelse erfdeel, en dat het vanouds in de Goddelijke raadsbesluiten was verordineerd en bereid, vers 8. Toen de aarde onder de kinderen van de mensen verdeeld werd, in de dagen van Peleg, na de zondvloed, een ieder geslacht zijn eigen deel had, waarin het zich moest vestigen en langzamerhand tot een volk moest worden, had God Israël in Zijn gedachten en in Zijn oog, want dit goede land, waar zij nu heengingen, hun tot een erfdeel bestemmende, als de tijd er voor gekomen zou zijn, beschikte Hij, dat de nakomelingen van Kanaän veeleer dan van enig ander toen levend geslacht, daar intussen geplant zouden zijn, om, als het ware, het bezit er van te bewaren, totdat Israël er voor bereid en gereed was, omdat die geslachten onder de vloek waren van Noach, door welke zij veroordeeld waren tot dienstbaarheid en verderf, Genesis 9:25- en daarom des te meer rechtvaardig, eervol, gemakkelijk en ten volle uitgeroeid zouden worden, als de volheid des tijds was gekomen, en Israël er bezit van zou nemen. Aldus heeft Hij de landpalen van dat volk gesteld met het oog op het bepaalde getal van de kinderen Israëls, opdat zij juist zoveel zouden hebben als zij nodig hadden. En sommigen maken de opmerking dat Kanaän zelf met zijn elf zonen, Genesis 10:15 en verv. juist het getal vormt van de twaalf stammen Israëls. De wijsheid Gods heeft de bepalingen van van de mensen woningen gesteld, en beide de plaats en de tijd van ons leven in deze wereld bepaald, Handelingen 17:26. Toen Hij de aarde van de mensen kinderen heeft gegeven, Psalm 115:16, was het niet, opdat ieder er maar van grijpen zou wat hij kon, neen, Hij deelt de volken de erfenis uit, en wil dat ieder zal weten wat het zijne is en geen inbreuk zal maken op de bezitting zijns naasten. De oneindige Wijsheid strekt zich zeer ver uit en bepaalt tevoren wat lang daarna geschiedt, Gode zijn al Zijn werken bekend van het begin tot het einde, Handelingen 15:18, maar dat zijn zij niet aan ons, Prediker 3:11. De grote God heeft in Zijn regering van de wereld en het regelen van de zaken van staten en koninkrijken bijzonder het oog op Zijn kerk en Zijn volk, en gaat in alles te rade met hun welzijn. Zie 2 Kronieken 16:9, en Jesaja 45:4. De Kanaänieten dachten dat zij een even goed en stellig recht hadden op hun land, als hun naburen op het hun, maar God bedoelde dat zij er slechts de houders van zijn zouden, tot dat de Israëlieten, hun landheren, kwamen. Aldus bedient God zich, om Zijn bedoelingen van liefde jegens Zijn volk tot stand te brengen, van hen, die Hem kennen noch liefhebben, en die het zo niet menen, en wier hart het zo niet denkt, Jesaja 10:7. Micha 4:12.
De reden, die gegeven wordt voor de bijzondere zorg, die God voor Zijn volk heeft gedragen, lang voordat zij waren geboren, en men (als ik dit zo zeggen mag) aan hen niet gedacht heeft in onze wereld, verheerlijkt nog meer Zijn goedheid, en maakt haar onuitsprekelijk verplichtend, vers 9, want des Heeren deel is Zijn volk. Geheel de wereld is van Hem, Hij is eigenaar en bezitter van hemel en aarde, maar de kerk is van Hem in zeer bijzonderen zin, zij is Zijn domein, Zijn wijngaard, Zijn besloten hof, Hij heeft er een bijzonder vermaak in zij is de beminde van Zijn ziel, in haar wandelt Hij en woont Hij, zij is Zijn rust tot in eeuwigheid. Hij stelt bijzonder belang in haar en bewaart haar als Zijn oogappel, Hij heeft bijzondere verwachtingen van haar, zoals een man verwachting heeft van zijn erfdeel, en Hij ontvangt grotere inkomsten van eer en heerlijkheid en aanbidding van dat onderscheiden overblijfsel dan van geheel de overige wereld. Dat God het deel Zijns volks zou wezen, is licht te begrijpen, want Hij is hun blijdschap en hun geluk, maar dat zij Zijn deel zouden wezen, die hen noch nodig had, noch enig nut of voordeel van hen had, dat is alleen te begrijpen door de wonderbare neerbuigendheid van Zijn vrije genade. Ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U, om hen aldus te achten en te noemen.
II. Het formeren van hen tot een volk, opdat zij geschikt zouden zijn om in dit erfdeel te komen, zoals een erfgenaam als hij meerderjarig is geworden, op de tijd, door de vader vastgesteld. En ook hierin was Kanaän een type van het hemelse erfdeel, want gelijk dit van eeuwigheid af bestemd en verordineerd was voor geheel het Israël Gods, zo zijn zij in de tijd, (en het is een werk van tijd) er bekwaam en geschikt voor gemaakt, Colossenzen 1:12. De verlossing van Israël uit de slavernij door de verwoesting van hun verdrukkers ging vergezeld van zoveel wonderen, waarneembaar voor de zinnen, en daarvan is zo dikwijls gesproken, dat zij in dit lied niet vermeld behoefde te worden, maar de genaderijke werken Gods aan hen, zouden minder opgemerkt worden dan de glorierijke werken, die Hij voor hen had gewrocht, en daarom geeft hij er de voorkeur aan daarop te wijzen. Zeer veel was gedaan om dit volk te vormen, er een gestalte aan te geven, en het geschikt te maken voor de grote dingen, die er voor bestemd waren in het land van de belofte, en dit wordt hier op uiterst sierlijke wijze beschreven.
1. Hij vond hem in een land van de woestijn vers 10. Dit wijst ongetwijfeld naar de woestijn door welke God hen naar Kanaän gebracht heeft, en in welke Hij zich zoveel moeite met hen heeft gegeven, het wordt de kerk in de woestijn genoemd, Handelingen 7:38. Daar werd zij geboren, gekweekt en opgevoed, opdat alles blijken zou Goddelijk en van de hemel te wezen, daar zij noch voor spijze, noch voor geleerdheid gemeenschap hadden met enig deel van deze aarde. Omdat echter gezegd is dat Hij hen daar gevonden heeft, schijnt hiermede ook bedoeld te zijn een voorstelling te geven van de slechte toestand, zowel als van het slechte karakter van dat volk, toen God voor het eerst begon voor hen te verschijnen.
a. Hun toestand was ellendig, Egypte was hun een land van de woestijn, een woeste, huilende wildernis, want zij waren er slaven, en riepen vanwege hun verdrukking, en waren geheel verbijsterd, niet wetende vanwaar hulp te verkrijgen, daar vond God hen, en vandaar heeft Hij hen gehaald. En:
b. Hun gemoedsgesteldheid was van zodanige aard, dat men er zich weinig goeds van kon beloven, zij waren over het algemeen zo onwetend omtrent Goddelijke dingen, zo stompzinnig en onvatbaar om er de indrukken van te ontvangen, zo gemelijk en zo zwartgallig, zo eigenzinnig en zo twistziek, en daarbij zo vreemd geneigd tot de afgoderijen van Egypte, dat zij wel gezegd konden worden gevonden te zijn in een land van de woestijn, want men zou met even redelijken grond een oogst van koren kunnen verwachten van een onvruchtbare woestijn als enigerlei goede vrucht of dienst voor God van een volk van zo'n karakter. Zij, die door genade vernieuwd en geheiligd zijn moeten dikwijls gedenken aan hetgeen zij van nature waren.
2. Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem. Toen God hen in de woestijn had, heeft Hij hen niet terstond naar Kanaän gebracht, maar liet hen een grote omweg maken, en zo heeft Hij hen onderwezen, dat is:
a. Hierdoor nam Hij tijd om hen te onderwijzen, en gaf hun geboden, naar zij instaat waren ze te ontvangen. Zij, wier roeping het is anderen te onderwijzen, moeten niet denken dat dit plotseling of opeens kan geschieden, die onderwezen worden moeten de tijd hebben om te leren.
b. Hierdoor heeft Hij hun geloof en hun geduld op de proef gesteld, en hen gehard tegen de ontberingen van de woestijn, en zo heeft Hij hen onderwezen. Elke handeling van God met hen was leerrijk, zelfs als Hij hen kastijdde onderwees Hij hen hiermede uit Zijn wet. Wij lezen in Psalm 107:Hij leidde hen op een rechte weg, terwijl wij hier toch lezen: Hij voerde hem rondom, want God leidt Zijn volk altijd op de rechte weg, al schijnt die ons ook een omweg toe, zodat de verste weg dikwijls blijkt indien niet de naaste weg, dan toch de beste weg naar huis in Kanaän te zijn. Hoe God hen heeft onderwezen, werd lang daarna verklaard, Nehemia 9:13. Gij hebt hun gegeven rechtmatige rechten en getrouwe wetten, goede inzettingen en geboden, en inzonderheid, vers 20, Gij hebt Uw goede Geest gegeven om hen te onderwijzen, en Hij onderwijst met macht. Wij kunnen ons wel voorstellen hoe ongeschikt dit volk voor Kanaän zou geweest zijn, indien zij niet eerst door de tucht van de woestijn waren gegaan.
3. Hij bewaarde Hem als Zijn oogappel, met alle mogelijke zorg en tederheid tegen de boze invloeden van een open lucht en al de gevaren van een onherbergzame woestijn. De wolk-en vuurkolom was hun beide ten gids en ten herder.
4. Hij deed voor hen wat de arend doet voor zijn nest van jongen, vers 11, 12. Die gelijkenis werd reeds even gebruikt in Exodus 19:4, Ik heb u op vleugelen van de arenden gedragen, hier wordt er nog nader over uitgeweid. Men heeft opgemerkt dat de arend een sterke genegenheid heeft voor zijn jongen, en haar toont niet alleen zoals andere dieren door ze te beschermen en voor hun voedsel te zorgen, maar door ze op te voeden, en ze te leren vliegen. Te dien einde wekt hij hen op uit het nest, waarin zij liggen te sluimeren, zweeft over hen heen, om hun te tonen hoe zij hun vleugels moeten gebruiken, en gewent ze dan te vliegen op zijn vleugels, totdat zij geleerd hebben op hun eigen vleugels te vliegen. Dit is in het voorbijgaan gezegd een voorbeeld voor ouders om hun kinderen op te leiden tot arbeid, en hun niet toe te geven in luiheid of gemakzucht. Zo heeft God met Israël gedaan, toen zij verzot waren op hun slavernij en wars om haar te verlaten, heeft God hen door Mozes opgewekt om naar vrijheid te haken, en menigmaal hen teruggehouden van naar het diensthuis terug te keren. Hij voerde hen weg uit Egypte, leidde hen in de woestijn, en heeft er hen nu eindelijk doorheen geleid. De Heere alleen leidde hen, Hij had geen hulp nodig, ook heeft Hij niemand als deelgenoot om dit werk tot stand te brengen, hetgeen een goede reden was waarom zij dan nu ook de Heere alleen zouden dienen, en geen ander, niet eens in deelgenootschap, en veel minder nog in mededinging met Hem. Er was geen vreemde god met Hem om mee te helpen aan Israëls verlossing, en daarom moet er ook geen wezen om te delen in Israëls hulde en aanbidding, Psalm 81:10.
III. Hun vestiging in een goed land. Dit was nu ten dele reeds gedaan in de gelukkige vestiging van twee en een halve stam, een voorproef en onderpand van hetgeen spoedig en zeker voor de overige stammen gedaan zou worden.
1. Zij waren gezegend met glorierijke overwinningen over hun vijanden. vers 13. Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat is: Hij leidde hem uit tot overwinning, en bracht hem zegevierend thuis. Hij reed over de hoge plaatsen of sterkten, die tegen hem opgeworpen werden, en zat gerust en in eer neer op de vruchtbare heuvels van Kanaän. In Egypte hadden zij een gering, ellendig voorkomen, en zij waren het ook, want zij waren arm en veracht, maar in Kanaän was hun houding groot en voornaam, en dat waren zij er ook, want zij waren bevorderd en verrijkt, zij reden statig, als een volk, in welks eer de Koning een welbehagen heeft.
2. Met grote overvloed van alle goed, niet slechts de gewone opbrengst van het veld maar, hetgeen ongemeen was, honing uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots. Hetgeen verwijzen kan, of naar hun wonderbaarlijke voorziening van zoet water uit de rots, dat hen volgde in de woestijn, dat honing en olie genoemd wordt, omdat het gebrek dat zij er aan hadden geleden het zo zoet en aangenaam voor hen maakte als honing en olie op andere tijden, of wel naar de grote overvloed van honing en olie, die zij in Kanaän zullen vinden, zelfs in die delen, die het minst vruchtbaar waren. De rotsen van Kanaän zullen nog een betere opbrengst geven dan de akkers en weiden van andere landen. Er worden nog andere voortbrengselen van Kanaän genoemd, vers 14. Er zal zo'n overvloed en zo'n verscheidenheid van gezond voedsel wezen (en alles het beste in zijn soort) dat, zo het hun behaagde, ieder maal een feestmaal kon zijn voortreffelijk brood, bereid van het beste koren, hier genoemd het vette van de nieren van tarwe, (want een graankorrel is niet zeer ongelijk in vorm aan een nier) boter en melk in overvloed, het vlees van vetgemest vee, en voor drank niet minder dan druivebloed, reine wijn. Zulk een liefderijk Vader, en zo vriendelijk een weldoener was God voor hen. Ainsworth ziet in de overvloed van goede dingen in Kanaän een beeld van de vruchtbaarheid van Christus' koninkrijk en de hemelse vertroostingen van Zijn woord en Geest, voor de kinderen van Zijn koninkrijk heeft Hij boter en melk, de onvervalste melk van het Woord, en vaste spijze voor krachtige mensen, met de wijn, die het hart verheugt.