Psalm 76:8-13
In de glorierijke overwinning, waarmee God Zijn kerk bevoorrecht en gezegend heeft spreken hier drie dingen.
I. Verschrikking voor Gods vijanden, vers 8-10. "Gij, vreeslijk zijt Gij, voor Uwe majesteit moet eerbied worden betoond, aan Uwe soevereiniteit moet men zich onderwerpen, Uwe gerechtigheid moet door hen, die U hebben beledigd, worden gevreesd." Laat de gehele wereld door deze gebeurtenis leren ontzag te hebben voor de grote God.
1. Laat allen vrezen voor Zijn toorn tegen de vermetele goddeloosheid van de zondaren, wie zal voor Uw aangezicht bestaan van de tijd Uws toorns af? Als God een verterend vuur is, hoe kunnen dan kaf en stoppelen voor Hem bestaan, al is het ook dat "Zijn toorn maar een weinig ontbrandt?" Psalm 2:12.
2. Laat allen Zijn ijver vrezen voor de verdekte onschuld en de benadeelde zaak van Zijn eigen volk, "Gij deedt een oordeel horen uit de hemel, toen Gij opstondt ten oordeel om alle zachtmoedigen van de aarde te verlossen, vers 9, 10 en toen de aarde vreesde en stil werd wachtende op hetgeen de uitkomst, het gevolg, zou zijn van deze Uw glorierijke verschijningen." Gods volk zijn "de zachtmoedigen van de aarde," Zefanja 2:3, "de stillen in het land," Psalm 35:20, die alle onrecht kunnen dragen, maar er geen kunnen doen. Hoewel de zachtmoedigen van de aarde door hun zachtmoedigheid blootgesteld zijn aan schade en nadeel, zal God toch vroeg of laat verschijnen tot hun verlossing en hun zaak voorstaan. Als God komt om alle zachtmoedigen van de aarde te verlossen dan zal Hij een oordeel doen horen uit de hemel, Hij zal de wereld doen weten dat Hij toornig is op de verdrukkers Zijns volks, en hetgeen hun aangedaan wordt beschouwt als Hemzelf te zijn aangedaan. De rechtvaardige God schijnt lang te zwijgen, maar vroeg of laat zal Hij Zijn oordeel doen horen. Als God Zijn oordeel spreekt uit de hemel, dan is het voor de aarde tijd om zich tot eerbiedig zwijgen te bereiden. De aarde vreesde en werd stil, zoals stilte uitgeroepen wordt als het hof zijn zitting gaat houden. "Laat af, en weet dat Ik God ben," Psalm 46:11. Zwijg, "alle vlees, voor het aangezicht des Heeren, want Hij is ontwaakt, ten oordeel", Zacheria 2:13. Zij, die onderstellen dat deze psalm geschreven werd bij gelegenheid van de vernietiging van Sanheribs leger, nemen aan dat het nederkomen van de verderfengel, die het oordeel uitvoerde vergezeld ging van donder, waarmee God het oordeel deed horen uit de hemel, en dat de aarde vreesde, dat is: dat er een aardbeving was, maar spoedig voorbij was. Maar dit alles is volstrekt onzeker.
II. Troost voor Gods volk, vers 11. Wij leven in een zeer toornige, tergende wereld, dikwijls gevoelen wij veel en zijn geneigd om nog meer te vrezen, van de toorn des mensen, die grenzeloos schijnt te zijn. Maar het is ons een grote troost
1. dat, in zover God het toelaat dat de toorn des mensen te eniger tijd losbreekt, Hij er loffelijk door wordt gemaakt, Hij zal er Zijn eigen doeleinden door doen dienen, de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken, niet alleen doordat zij beteugeld wordt, bestraft en beschaamd wordt, als zij genoodzaakt zal zijn haar machteloosheid te bekennen, maar zelfs door de vrijheid, die haar voor een wijle gegeven wordt. De moeilijkheden, die Gods volk te verduren hebben door de toom hunner vijanden, strekken tot heerlijkheid van God en Zijn genade, en hoe meer de heidenen woeden en samenspannen legen de Heere en Zijn Gezalfde, hoe meer God geloofd zal worden, omdat Hij "Zijn Koning gezalfd heeft over Zion, de berg Diner heiligheid," in weerwil van hen Psalm 2:1, 6. Als de hemelse heirscharen het tot het onderwerp maken van hun lofliederen, dat God Zijn grote kracht heeft aangenomen en als koning heeft geheerst, hoewel de volken toornig zijn geworden, dan brengt de toorn des mensen luister bij aan de lof van God.
2. Dat aan hetgeen Hem niet loffelijk maakt niet toegelaten zal worden uit te breken, het overblijfsel van de grimmigheden zult Gij opbinden. Mensen moeten nooit zonde toelaten, omdat zij haar niet kunnen tegenhouden als zij willen, maar God kan het. Hij kan perken stellen aan de toorn des mensen, zoals Hij het doet aan de woedende, schuimende zee: Tot hiertoe zal zij komen, en niet verder, en hier zullen haar trotse golven tot staan worden gebracht. God heeft het overblijfsel van Sanheribs grimmigheid opgebonden, want Hij heeft een haak in zijn neus gelegd en een gebit in zijn lippen, Jesaja 37:29, en hoewel Hij hem toeliet groot te spreken, heeft Hij hem weerhouden van te doen wat hij van zins was.
III. Plicht voor allen, vers 12, 13. Laat allen zich onderwerpen aan deze grote God en Zijn getrouwe onderdanen worden.
Merk op:
1. De plicht, die van ons allen geëist wordt, van allen, die om Hem heen zijn, afhankelijk van Hem zijn, het nodig hebben om tot Hem te naderen, en wie heeft dit niet? Daarom wordt aan een ieder van ons geboden hulde te doen aan de Koning van de koningen: Doet gelofte en betaalt ze, doet Hem de eed van trouw, en maakt er een gewetenszaak van om die te houden. Belooft de zijnen te zijn, en houdt wat gij beloofd hebt. Verbindt uw zielen met een verbintenis aan Hem want dat is de aard van een gelofte, en leeft dan naar de verplichtingen, die gij op u genomen hebt, want het is beter geen geloften te doen, dan ze te doen en ze niet te betalen. En, Hem tot onze Koning aangenomen hebbende, laat ons Hem geschenken brengen, als onderdanen aan hun souverein, 1 Samuël 10:27. "Zendt het lam aan de heerser des lands" Jesaja 16:1. Niet dat God enigerlei geschenk nodig heelt, dat wij Hem kunnen brengen, of er bevoordeeld door van worden, maar aldus moeten wij Hem eer geven en erkennen dat wij alles van Hem hebben ontvangen. Onze gebeden en lofzeggingen, en inzonderheid ons hart, zijn de geschenken, die wij de Heere onze God moeten brengen.
2. De reden voor deze plicht: Geeft aan een ieder wat hem toekomt, vreze aan wie de vreze toekomt, en komt zij niet toe aan God? Ja.
a. Hij behoort gevreesd te worden. Hij is de vreze, aldus is het woord, Zijn naam is heerlijk en vreeslijk, en Hij is het gepaste voorwerp van onze vreze, bij Hem is ontzaglijke majesteit. De God van Abraham wordt de vreze Izaks genoemd, Genesis 31:42, en ons is geboden Hem tot onze vreze te maken Jesaja 8:13. Als wij Hem geschenken brengen dan moeten wij Hem beschouwen als grotelijks te vrezen, want Hij is vreeslijk uit Zijn heiligdommen.
b. Hij zal gevreesd zijn, zelfs door hen, die denken dat het hun kroonrecht is gevreesd te worden, vers 13. Hij zal de geest van de vorsten als druiven afsnijden, Hij zal hem even gemakkelijk afsnijden als wij een bloem afsnijden van haar stengel of een tros druiven van de wijnstok. Hij kan de stoutmoedigsten de moed benemen en hen lafhartig maken, want Hij is, of zal zijn, de koningen van de aarde vreeslijk, en vroeg of laat zal Hij, indien zij niet zo wijs zijn om zich te onderwerpen aan Hem, hen noodzaken om tevergeefs tot de rotsen en bergen te roepen om op hen te vallen en hen te verbergen voor Zijn toorn, Openbaring 6:16. Daar er niet te strijden valt met God, is het evenzeer onze wijsheid als onze plicht om ons aan Hem te onderwerpen.