Job 40:10-19
Om nog verder Zijn eigen macht te doen blijken en Jobs aanspraken te weerleggen, besluit God Zijn rede met de beschrijving van twee zeer grote dieren, die de mens ver overtreffen in omvang en kracht, het een noemt Hij behemoth, het andere leviathan. In deze verzen hebben wij de beschrijving van het eerste. "Zie nu de behemoth, en ga eens na of gij instaat zijt te strijden met Hem, die dat dier gemaakt heeft en hem al de kracht heeft gegeven, die hij bezit, en of het niet uw wijsheid zou zijn om u liever aan Hem te onderwerpen en u met Hem te verzoenen."
Behemoth betekent dieren in het algemeen, maar moet hier bedoeld zijn van de een of andere bijzondere soort. Sommigen verstaan het van een stier, anderen van een dier, welbekend (zeggen zij) in Egypte, genaamd het nijlpaard, (hippopotamus) levende onder de vissen in de Nijl, maar uit het water komende om zijn voedsel op aarde te zoeken. Maar ik zie geen reden om af te wijken van de aloude en algemeen aangenomen mening dat het de olifant is, die hier wordt beschreven, die een zeer statig en sterk dier is, van zeer grote afmetingen, daarin alle andere dieren ver overtreffende, en van een verwonderlijke schranderheid, en van zo grote bekendheid in het dierenrijk dat wij, onder de vele viervoetige dieren waarvan wij de natuurlijke historie hadden in Hoofdst. 38 en 39 niet of nauwelijks kunnen onderstellen, dat dit voorbijgezien zou zijn. Let op:
I. De beschrijving, die hier van de behemoth is gegeven.
1. Zijn lichaam is zeer sterk en goed gebouwd. Zijn kracht is in zijn lenden, vers 11. Zijn beenderen vergeleken met die van andere dieren, zijn als ijzeren handbomen. Zijn ruggegraat is zo sterk dat hij zijn staart, hoewel die niet groot is, beweegt als een ceder, met een gebiedende kracht. Sommigen verstaan dit van de snuit des olifants, en daarin, namelijk in de snuit des olifants, is werkelijk een verwonderlijke kracht. Zo sterk is de olifant in zijn rug en lenden en de zenuwen van zijn dijen, dat hij een grote houten toren kan dragen, waarin zich een groot aantal krijgslieden bevinden. Geen dier komt de olifant nabij in lichaamskracht, waarop voornamelijk in de beschrijving, die hier van hem is gegeven, wordt gewezen.
2. Hij voedt zich met de voortbrengselen van de aarde, en aast niet op andere dieren, hij eet gras als een rund, vers 10, de bergen brengen hem voeder voort, vers 15, en de dieren des velds sidderen niet voor hem, noch vluchten voor hem weg, zoals voor de leeuw maar spelen om hem heen, wetende dat hun van hem geen gevaar dreigt. Dit kan ons aanleiding geven:
a. Om de goedheid Gods te erkennen, waarmee Hij het zo beschikt heeft dat een zo groot dier, dat zoveel voedsel nodig heeft, zich niet met vlees voedt, (want als hij dit wel deed, dan zouden zeer velen moeten sterven om hem in het leven te behouden) maar zich tevreden stelt met gras van het veld, teneinde zo'n verwoesting van levens te voorkomen als anders plaats zou moeten hebben.
b. Om het leven op kruiden en vruchten aan te bevelen, overeenkomstig hetgeen oorspronkelijk als spijze voor de mens bestemd en aangewezen was Genesis 1:29. Zelfs de kracht van een olifant, evenals die van een paard of een stier, kan zonder vlees worden onderhouden, waarom dan niet die van de mens? Ofschoon wij van de vrijheid, die God ons toegestaan heeft, gebruik maken moeten wij "toch niet onder de vleesvraten zijn," Spreuken 23:20. c. Om een rustig, vreedzaam leven aan te bevelen. Wie wil niet liever, gelijk de olifant, zijn naburen gerust en aangenaam om zich heen hebben, dan gelijk de leeuw hen allen bevreesd voor zich te zien?
3. Onder de schaduwachtige bomen ligt hij neer, vers 16, die hem met hun schaduw bedekken, waar hij een vrije en open lucht heeft om in te ademen, terwijl leeuwen, die van roof leven, verplicht zijn, als zij willen rusten, zich terug te trekken in een dompig, donker hol, om daarin te leven en te loeren Hoofdst. 39:2. Zij, die een schrik zijn voor anderen, moeten soms wel een schrik zijn voor zichzelf, maar diegenen zullen gerust zijn, die de hen omringenden met rust laten, en het riet en het moeras en de beekwilgen, hoewel een zeer zwakke, geringe fortificatie, volstaan toch voor de bescherming en de veiligheid van hen, die geen kwaad vrezen, omdat zij geen kwaad voorhebben.
4. Dat hij een zeer grote en gulzige drinker is, niet van wijn en sterke drank, (daarin gulzig te zijn, is alleen eigen aan de mens, die door zijn dronkenschap zich tot een dier verlaagt), maar van water.
a. Zijn grootte is buitensporig, en dienovereenkomstig moet hij voorzien worden, vers 18. Hij drinkt zoveel, dat men zou denken dat hij een rivier leeg zou drinken, indien gij er hem de tijd toe gaaft en hem niet zoudt haasten. Of, als hij drinkt haast hij zich niet als degenen, die drinken in vrees, hij is zich zijn kracht en veiligheid zo bewust, dat hij zich niet haast als hij drinkt niet meer haast dan met goede spoed overeenkomt.
b. Zijn oog is groter dan zijn maag, want als hij zeer dorstig is, daar hij lang zonder water was, vertrouwt hij, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken, vers 18. Hij neemt het zelfs met zijn ogen, vers 19. Gelijk een hebzuchtig man zijn ogen laat gaan over de rijkdom van deze wereld, waar hij begerig naar is, zo wordt van dit grote dier gezegd dat hij zelfs een rivier met zijn ogen opneemt.
c. Zijn neus heeft daar kracht genoeg voor, want als hij er gulzig mee gaat drinken, dringt hij door strikken en netten heen, die misschien in het water gelegd zijn om vis te vangen. Hij geeft niets om de moeilijkheden, die op zijn weg liggen, zo groot is zijn kracht en zo begerig is hij om te drinken.
II. Het gebruik, dat van deze beschrijving gemaakt kan worden. Wij hebben een blik geslagen op die berg van een beest, dit zeer grote dier, dat ons hier voorgesteld wordt niet alleen om het te vertonen en onze nieuwsgierigheid te bevredigen en ons te vermaken (zoals soms dieren in ons land vertoond worden) maar als een argument om ons voor de grote God te verootmoedigen, want:
1. Hij heeft dit grote dier geschapen, dat op vreeslijke wijze wonderbaarlijk gemaakt is, het is het werk van Zijn handen de vinding van Zijn wijsheid, het voortbrengsel van Zijn macht, het is behemoth, die Ik gemaakt heb, vers 10. Welke kracht dit of enigerlei ander schepsel heeft, zij is ontleend aan God, die daarom erkend moet worden alle kracht oorspronkelijk en oneindig in zichzelf te hebben, en zo'n arm te hebben, als waarmee wij niet kunnen strijden. Dit dier wordt hier genoemd het voornaamste in zijn soort van de wegen Gods, vers 14 een uitnemend voorbeeld van des Scheppers macht en wijsheid. Zij, die de berichten willen lezen, die de geschiedschrijvers geven van de olifant, zullen zien dat zijn vermogens dichter naderen tot die van het verstand, dan de vermogens van alle andere dieren, en dat hij daarom zeer gepast het voornaamste van de wegen Gods genoemd wordt, in het lagere deel van de schepping is geen schepsel beneden de mens boven hem te stellen. 2. Hij maakte hem nevens de mens, zoals Hij andere viervoetige dieren op dezelfde dag als de mens gemaakt heeft, Genesis 1:25, 26, terwijl de vissen en vogelen op de vorige dag gemaakt werden. Hij maakte hem om te leven en zich te bewegen op dezelfde aarde, in hetzelfde element, en daarom worden mens en dier gezegd tezamen bewaard te zijn door de voorzienigheid Gods, als medeschepselen, Psalm 36:7. Het is behemoth, die ik nevens u gemaakt heb, Ik maakte dat beest zowel als u, en hij twist niet met Mij, waarom twist gij dan met Mij? Waarom zoudt gij bijzondere voorrechten eisen, omdat Ik u gemaakt heb, Hoofdst. 10:9, als Ik toch de behemoth nevens u gemaakt heb, en daarom kan Ik u even gemakkelijk besturen naar Mijn wil en welbehagen als Ik dat dier besturen kan, en Ik zal het doen, hetzij gij u er aan onderwerpt of niet. Ik maakte hem nevens u, opdat gij hem zult aanzien en onderricht ontvangen." Wij behoeven niet ver te gaan om bewijzen te zien van Gods almachtige kracht en soevereine heerschappij, zij zijn nabij ons, zij zijn bij ons, zij zijn onder ons oog, waar wij ook gaan of staan.
3. Die hem gemaakt heeft kan Zijn zwaard tot hem doen naderen. Dat is: dezelfde hand van Hem die hem gemaakt heeft, kan hem, in weerwil van zijn grote kracht naar zijn wil en welbehagen weer vernietigen, een olifant even gemakkelijk doden als een worm of een vlieg, zonder enigerlei moeilijkheid, en zonder dat Hem verspilling of onrecht ten laste kan gelegd worden. God, die aan alle schepselen het bestaan gaf, kan het bestaan, dat Hij gaf, weer wegnemen. want mag Hij met het Zijne niet doen wat Hij wil? En Hij kan het, Hij, die macht heeft om te scheppen door een woord, heeft ongetwijfeld de macht om door een woord te vernielen, en kan het schepsel even gemakkelijk door te spreken tot niets maken, als Hij het in den beginne door te spreken uit niets tevoorschijn heeft gebracht. De behemoth is misschien hier bedoeld (zoals later de leviathan) om de hoogmoedige tirannen en verdrukkers voor te stellen, die God zoëven Job heeft uitgedaagd te vernederen en naar beneden te brengen. Zij denken evengoed versterkt te zijn tegen de oordelen Gods als de olifant met zijn beenderen, die als koper en ijzer zijn, maar Hij, die de ziel van de mens gemaakt heeft, kent er alle toegangen van en kan er Zijn zwaard van de gerechtigheid, Zijn toorn toe doen naderen, en haar treffen in de tederste, gevoeligste delen. Hij, die het werktuig gemaakt heeft, en de delen ervan saamgevoegd heeft, kan het ook weer uit elkaar nemen. Wee dus hem, die met zijn Maker twist, want Hij, die hem gemaakt heeft, heeft de macht om hem ongelukkig te maken, en zal hem niet gelukkig maken, tenzij hij zich door hem laat regeren.